is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afhankelijk stelt van het ..alvorens" ter griffie van de rechtbank overleggen der bedoelde acte, mitsdien van het alvorens het doen der vordering tot toelating deponeeren van het geincrimineerde bescheid;

dat deze opvatting te meer klemt, indien men in aanmerking neemt, dat bij een tegenovergestelde uitlegging van een „ten dage dienende" verklaring van de partij, die het van valsehheid betichte stuk in liet proces bracht, dat zij zich daarvan (desniettegenstaande) wil bedienen, niet de rede zou kunnen zijn, evenmin als opvolgend dc mededeeling der tegenpartij, dat zij bij hare betichting blijft en de aangegeven verdere procedure, in geval van persistit, tot haar recht zou kunnen komen, terwijl toch eerst bij opvolging der daartoe strekkende voorschriften (152 151 Burgerlijke Rechtsvordering) de rechter het onderzoek naar dc echtheid van het in geding gebleven stuk kan bevelen: O. dat appellant, geopposcerde, heeft getracht deze zijne tekortkoming in appèl te herstellen door geheel subsidiair incidenteel te concludeeren. als door hein bereids in eersten aanleg is geconcludeerd voor eisch incidenteel en, in aansluiting daaraan. den geintimeerde heeft gesommeerd tot de verklaring, dat hij zich van het stuk althans van het deel hetwelk van valsehheid beticht wordt, wenscht te bedienen, dan wel er in toestemt, dat het buiten geding wordt gesteld;

dat de geintimeerde hiertegen heeft opgemerkt, dat in hooger beroep wel nieuwe bewijsmiddelen kunnen worden bijgebracht en dus nieuw bewijsaanbod kon worden gedaan, maar het niet aangaat, waar men in eerste instantie met eene incidenteele conclusie tot bewijsaanbod niet ontvankelijk is verklaard, bij bekrachtiging in appèl nogeens met dezelfde conclusie voor den dag te komen;

O. dat deze meening echter den llove erroneus voorkomt; dat, moge toch al kunnen worden aangenomen, dat in appèl slechts bewijsmiddelen voor in die instantie aangevoerde daadzaken kunnen worden bijgebracht, dc aard van het hooger beroep, als middel tot herstel van dwalingen of misslagen niet