is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ciseher en geopposecrde onbewezen blijvende — de vordering ten principale is ontzegd;

dat appellant tegen deze beslissing heeft gericht zijn tweede cn derde grief, eerstgenoemde luidende: dat de rechter a quo slechts een incidenteel vonnis had behooren te vellen op den incidenteclen eisch omtrent het bewijsaanbod der gedeeltelijke valscliheid, doch nimmer tevens ten principale had mogen vonnissen, waardoor aan partijen de gelegenheid werd benomen andere incidenteele vorderingen in te stellen;

O. dat artikel 212 Burgerlijke Rechtsvordering als regel heeft vastgesteld, dat alle incidenten in eens cn alzoo bij dezelfde acte zullen worden voorgesteld, echter op deze voorzorg tegen het rekken van twistgedingen en het najagen van meerdere proceskosten, blijkens de volgende alinea, slechts dc straf heeft gesteld, dat de kosten der later voorgedragene, ofschoon de oorzaak reeds vroeger bestond, door den voorsteller zeiven worden gedragen;

O. dat mitsdien (lc latere voordracht niet is uitgesloten, evenwel in casu, waar dc dingtalen allerminst doen blijken, ja zelfs niet doen vermoeden, welke incidenten appellant op de bereids aanhangig gemaakte zou wenschcn tc stapelen, dc eerste rechter, bi j gebreke van reserve van andere weren of middelen, alleszins juist dc gerekte procedure door cene eindbeslissing ten principale heeft beëindigd;

O. dat, de tweede grief mitsdien ongegrond voorkomende, ditzelfde moet worden geoordeeld omtrent de derde, behelzende, dat door den rechter a quo werd beslist, dat door dc nietontvankelijkvcrklaring der incidenteele conclusie het bewijs is geleverd van den in de notarieele acte bedoelden verkoop, niettegenstaande tegenbewijs door geschriften openstaat;

dat toch, afgescheiden daarvan, dat in het vonnis a quo niet te lezen staat, dat door de nictontvankelijkhcid enz. het bewijs is geleverd, integendeel is overwogen, dat door de acte het bewijs is geleverd, door den appellant geenerlei schriftelijk bescheid tot tegenbewijs is geproduceerd, dan wel cenigc reserve