is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HOOG-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCII-INDIË,

Gehoord partijen;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der daadzaken:

Overnemende de uiteenzetting daarvan vervat in het door den Eaad van Justitie te Semarang, op 14 Maart 1894, tusschen partijen gewezen vonnis, waarbij aan eischer zijne vordering is ontzegd; nietig en van onwaarde en mitsdien opgeheven is verklaard het eonservatoir beslag, op 24 Februari 1894 ten verzoeke van eischer, op gedaagde's roerende goederen gelegd; den gestelden bewaarder is gelast om die goederen, op vertoon der grosse van dat vonnis, aan den gedaagde af- en over te geven, hetwelk doende hij wel en wettig zal zijn bevrijd; de eischer is veroordeeld om aan gedaagde te vergoeden alle kosten, schaden en interessen door dezen tengevolge van het onrechtmatig gelegd beslag geleden en nog te lijden, nader op te maken bij staat en te vereifenen ingevolge de wet; dat vonnis is uitvoerbaar verklaard bij voorraad, zonder borgtocht en bij lijfsdwang, voozoover de vergoeding van kosten, schaden en interessen f 150.— mocht te boven gaan, mits, ingeval van ten uitvoerlegging van den lijfsdwang bij voorraad, zekerheid worde gesteld voor de kosten, schaden en interessen, waartoe de arrestant mocht worden veroordeeld; voorts is bepaald, dat die zekerheid moet worden gesteld binnen acht dagen na ingesteld hooger beroep en binnen denzelfden termijn daarna aangenomen of betwist; eischer eindelijk nog in de kosten van het geding is veroordeeld, die van het conservatoir beslag daaronder begrepen ;

En wijders:

O. dat de eischer, zich met deze uitspraak bezwaard achtende, daarvan tempore utili is gekomen in hooger beroep en, onder aanvoering van zijne gronden, voor eisch in appèl heeft geconcludeerd : dat het den Hove moge behagen, met ontvangst van het appèl, te niet te doen het vonnis van den Raad van Justitie te Semarang ddo. 14 Maart 1894, waarvan appèl, en, doende

LXIV. 15