is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

macht daarna de wettelijke gevolgen zal vaststellen, en aan het feit, wanneer het bewezen en strafbaar is verklaard, de wettelijke appreciatie zal geven en de daarop gestelde straf zal opleggen. Het beginsel zelf is zeer schoon; jammer, dat liet in de toepassing weder faalt. Eene zuivere scheiding van de feitelijke en rechtsvraag is in alle gevallen, welke zich ter beslissing kunnen voordoen, nu eenmaal niet mogelijk. Wanneer eene jury moet uitmaken in eene valsche muntzaak of de muntstukken, welke nagemaakt zjjn, wettigen koers hadden, een constitutief vereischte voor het misdrijf van valsche munt, dan doet zij tegelijk met de feitelijke vraag uitspraak over eene rechtsvraag. Hetzelfde is het geval wanneer hare beslissing wordt ingeroepen over eene vraag of in eene beschuldiging van afpersing van een geschrift, het geschrift in questie behelst het aangaan van eene schuld, of het te niet doen van eene inschuld, dan wel of in zake een diefstal, die diefstal is gepleegd op den openbaren weg, uit de weide, gedurende den voor de nachtrust bestemden tijd, door middel van braak of inklimming, dan wel onder andere bij dc wet bepaalde verzwarende omstandigheden. Het is dus vóór alles noodzakelijk, dat één en dezelfde rechter uitspraak doe over feit en recht beide. Meent men, te recht of ten onrechte, (wjj komen daarop in het slot van onze beschouwing terug) dat het leekenelement de voorkeur verdient boven vaste rechters, die door het staatsgezag worden benoemd, dan dient men het Engelsche stelsel te omhelzen, hetwelk in alle geval de beslissing over de schuldvraag in haren vollen omvang aan de jury overlaat.

Hetgeen mijns inziens de rechtspraak door gezworenen, althans zooals zij in de Fransche strafwetgeving is opgenomen, nog het minst aanbevelingswaardig maakt is, dat de gezworenen niet gehouden zjjn hun verdict ook maar eenigszins te motiveeren, dat zij op de hen voorgelegde vragen bij meerderheid van stemmen slechts hebben te antwoorden met: ja of neen , en dat zij, zonder eenigszins aan het wettelijk bewijs te zjjn gebonden, slechts met hunne intieme convictie behoeven te rade tc gaan.