is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men is daardoor bijna altijd in het onzekere welke motieven de jury bij het vaststellen van haar verdict hebben geleid. In vele gevallen, het is waar, liggen die motieven voor de hand. Wanneer bedrogen echtgenooten. minnaars of minnaressen, door haar onschuldig worden verklaard, dan gaat zij blijkbaar uit van de redeneering dat dei-gelijke delinquenten op het oogenblik, dat zij het aan hen geimputeerde feit bedreven, in zulk eene hevige mate van overspanning en opwinding hebben verkeerd, dat zij wegens eene tijdelijke storing hunner verstandelijke vermogens voor de gevolgen hunner handelingen niet verantwoordelijk konden worden geacht. Doch lang niet altijd liggen de motieven voor het grijpen, zoodat men dikwijls daarnaar moet gissen en raden, en het wel eens voorkomt, dat beschuldigden en verdedigers beiden, die aan niets anders dan aan eene veroordeeling hadden gedacht en slechts op eene genadige straf hadden gehoopt, tot hunne verrassing en verbazing eene vrijspraak vernamen. Zoo las ik dezer dagen in een der dagbladen, dat een grondeigenaar in Italië, die terecht stond wegens moord, gepleegd op een zijner werklieden, en alles volmondig had bekend, tot groote verbazing van zijn eigen advocaat door de jury te Catanea was vrijgesproken cn dat die jury na de terechtzitting door het volk geweldig was uitgejouwd geworden. Eene rechtspraak volgens intieme convictie is naar mijne meening zeer gevaarlijk en laat ruimte toe voor allerlei invloeden. Men moge tegen de meerdere of mindere juistheid, waarop de wettelijke bewijsleer in onze strafwetgeving is geregeld, meer of minder ernstige bezwaren hebben, het stelsel zelf verdient, geloof ik, volledige goedkeuring. Ook onder dat stelsel zijn wel is waar rechterlijke dwalingen niet te vermijden, maar zjj komen daaronder toch zeker minder voor dan onder het stelsel der intieme convictie. In den liedendaagschen staat is het nu eenmaal noodig, dat de wet als de uitdrukking van het gevoelen van een geheel volk sta boven de indrukken en meeningen van bijzondere personen en dat zij den rechter voorsehrijve wat er al toe noodig is om een feit al dan niet bewezen te