is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. düt appellant verder als grief tegen het vonnis van 11 April 1894 heeft voorgebracht, dat de eerste rechter ten onrechte heeft aangenomen, dat appellant zou hebben erkend de juistheid der 4de daadzaak, gesteld bij procureursacte van 17 Maart 1893 door den procureur der geintimeerde, wijl het niet aangaat uit het antwoord van appellants procureur, dat appellant, toenmaals gedaagde, dat feit „niet kan erkennen" af te leiden, dat het derhalve voor erkend moet worden gehouden;

O. dat die grief is ongegrond, omdat artikel 192 van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering uitdrukkelijk bepaalt, dat in zaken van gewone behandeling (zooals in casu), de daadzaken, welke de eene partij door getuigen wil bewijzen en welke bepaaldelijk b(j eene acte uitgedrukt, van procureur tot procureur zijn beteekend, bij gel ijke acte moeten worden ontkend of' erkend, en anderzins voor erkend kunnen worden gehouden en er voor den eersten rechter onderwerpelijk alle aanleiding bestond om die daadzaak voor erkend te houden, aangezien het tusschen partijen is onbetwist, dat appellant het tot dekking van het ontvangen voorschot afgegeven accept ten bedrage van f 5000.—, vervallende op ultimo April 1892, heeft afbetaald, waaruit voldoende blijkt, dat de bedongen 500 picols niet ten volle zyn geleverd, terwijl appellant nog de drie leveringen op 6, 9 en 20 October 1891, te zaïnen tot eene hoeveelheid van 55 23 j w picols, erkennende, in het minst niet heeft beweerd, dat die leveringen door andere voorafgegaan of gevolgd zouden zyn;

O. dat eindelijk appellant voor het eerst bij pleidooi nog de volgende grieven heeft geopperd:

lo. dat de verkoopers en de borgen zich bij afzonderlijke acte hebben verbonden, daar het koopcontract slechts door de verkoopers en de overeenkomst van borgtocht slechts door de borgen werd geteekend, waaruit moet volgen, dat, aangezien de verkoopers zich in de koopovereenkomst niet hebben verbonden tot betaling der rente van 9 o/ 0 'sjaars over het onaangezuiverd gedeelte van het voorschot van f 5000.—, ook de borgen, omdat z(j zich niet tot iets meer-