is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BURGERLIJKE ZAKEN.

HOOG-GE RECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIE.

(Eerste Kamer).

EERSTE AANLEG.

Art. 728 v.v. Burg. Rechtsv. — Arrest onder derden (onder zich zeiven). — Compensatie.

Een executoir beslag onder derden, gericht op en tegen eeene insehuld, welke tijdens het leggen van dat beslag niet meer bestoud (omdat die insehuld door compensatie van rechtswege was vernietigd geworden), is eo ipso ab initio nietig en van onwaarde 145

Gewijsde zaak. I)e Weeskamer, die als cnratrice in een faillissement eene vordering tegen de Regeering heeft ingesteld tot uitbetaling aan haar van de tijdens het faillissement vervallen en nog te vervallen termijnen van het aan den failliet toekomend pensioen, is dezelfde partij als de failliet die later eene dergelijke vordering tegen de Regeering instelt 334

Artt. 1365 en 511 No. 3 Burg. Wetb. — Artt. 755 en 799 Wetb. v. K. —

De vordering uit art. 1365 van het Burg. Wetb. is een roerende zaak.

Kraohtens art. 755 in verband met art. 799 Wetb. v. Kooph. kan de failliet die vordering niet, maar moet de Weeskamer haar instellen, indien daartoe gronden zijn 345

HOOGER BEROEP.

Artt. 331 en 332 Burg. Rechtsv. — Préparatoir vonnis. — Appèl daarvan. — Art. 333 Burg. Rechtsv. — Beniflciaire erfgenaam. — Voortzetting van een geschorst geding tegen zoodanigen erfgenaam.

11 it de bewoordingen van art. 333 van het Regl. op de Burg, Rechtsv. volgt niet, dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het hooger beroep middels eene afzonderlijke acte dient te worden voorgesteld, dan wel, dat in dezelfde acte eerst behoort te worden geconcludeerd tot de niet-ontvaukelijkheid van het appèl, daarna subsidiair de andere weren bijgebracht en daaraan eene betrekkelijke conclusie vastgeknoopt, maar daarin kent de wetgever implicite de bevoegdheid toe de exceptie met de verdediging ten principale in dezelfde conclusie te vereenigen.

De uitspraak van den rechter, dat een geding, hetwelk door den dood van eene der partijen was geschorst, tegen den bene-