is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fieiaireu erfgenaam van den overledene kan worden voortgezet, is — hoewel van voorbereidenden aard — geen préparatoir vonnis als bedoeld in art. 331 Burg. Rechtsv.

Het afzonderlijk appèl is derhalve tegen een zoodanige uitspraak geoorloofd.

Pij, die onder het voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, is evenzeer erfgenaam als hij, die zuiver aanvaardt, waaruit voortvloeit, dat op hem alle voorschriften regelende de verplichtingen van zonder reserve aanvaardende erfgenamen toepasselijk zijn, voor zoover daarop niet door de wet zelve uitzonderingen in bet leven zijn geroepen.

Een beneficiaire erfgenaam kan zich niet met vrucht tegen eene actie tot betaling van een schuld van den boedel verdedigen met een beroep op aanvaarding onder benefice van inventaris en daaruit volgt, dat die erfgenaam, als opvolger in het recht van een overleden partij, zich evenmin tegen een eisch tot hervatting van het geding, hetwelk met dezelfde strekking tegen den erflater werd aanhangig gemaakt, van dien weer mag bedienen. 33

Art. 134 Burg. liechtsv.— Voeging. — Lijdelijkheid van den rechter. — Art. 1265 en 1266 Burg. Wetb. — Toestand van partijen na ontbinding door den rechter der tusschen hen bestaande overeenkomst. — Vordering gegrond op die ontbonden overeenkomst.

Art. 134 Burg. Rechtsv. spreekt wel is waar alleen van voeging van verknochte zaken bij verschillende rechtbanken aanhangig gemaakt, maar dezelfde ratio legis bestaat ook, waar de mogelijkheid zich voordoet om eene minder kostbare en doelmatiger afwikkeling van het geschil te erlangen door voeging van zaken bij denzelfden rechter aangebracht.

Wanneer den rechter in eene procedure door eene der partijen uitdrukkelijk mededeeling wordt gedaan van het sedert erlangen van een ander middel tot verzekering van hare daarbij gesustineerde rechten, met een daaraan vastgeknoopt verzoek tot voeging dier twee aanhangig gemaakte zaken, dan mag de lijdelijkheid van den rechter in burgerlijke zaken niet zoo ver gaan, dat hij, met ter zijde stelling van zijne opgemelde kennis, alleen aan afschriften van de nieuwe procedure het noodige licht zal mogen ontleenen ter beoordeeling van de vraag of daadwerkelijk aanleiding bestaat simul et semel te beslissen.

Eene overeenkomst tusschen partijen door den rechter ontbonden zijnde op grond, dat eene der partijen aan hare verplichting niet heeft voldaan, dan moeten de zaken weder tot den