is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weten moest, dat hij zonder eenig recht het door hem geoccupeerde stuk grond bez^t. ............... 229

Hooger beroep van een vonnis van faillietverklaring. — Art. 778 al. 2 en 6 Wctb. v. Kooph. — Schuldvernieuwing.

Het hooger beroep van een vonnis van faillietverklaring moet, krachtens art. 778 al 2 en 6 van het Wetb. v. Kooph., bij dagvaarding en niet bij rekest worden aangebracht.

Iedere vennoot, die gerechtigd is voor de maatschap te handelen en haar te verbinden, is bevoegd zonder medewerking der medevennooten in hooger beroep te komen tegen een vonnis, waarbij de vennootschap in staat van faillissement is verklaard.

Door het afgeven en accepteeren van wissels voor eene schuld uit koop en verkoop voortspruitende, wordt deze laatste schuld niet vernietigd en treedt er geen wisselschuld in de plaats wanneer het blijkt, dat partijen de bedoeling en den wil niet hebben gehad om de oude schuld door de nieuwe op te heffen, maar alleen dat de wissels ter incasseering waren geëndosseerd en deze dus feitelijk niets anders waren dan kwitantiën namens de ereditrice aan haren schuldenaar gepresenteerd 352

CASSATIE.

Art. 20, lo. Stbl. 1874 No. 94 b. — Hooger beroep. — Cassatie.

Art. 20, lo. van Stbl. 1874 No. 94i laat hooger beroep toe aan den Eaad van Justitie van alle burgerlijke vorderingen ingesteld tegen eigenlijk gezegde Inlanders, wanneer de vordering loopt over eene som of waarde van meer dan ƒ 500.—

Wanneer van de waarde der vordering niets blijkt, is derhalve geen hooger beroep, maar alleen cassatie toegelaten.

Het doet er niets toe, dat in dat geval zelfs niet blijkt, dat de voidering eene waarde van meer dan ƒ50.— beloopt en dus wellicht tot de bevoegdheid van het districtsgerecht behoorde, omdat dit niet wegneemt, dat hot vonnis, waarvan in easu cassatie is aangeteekend, al ware het ook ten onrechte, in elk geval blijkbaar in het eerste ressort is gewezen 71

Art. 78 Burg. Bechtsv. — Verstok. — Gegrondheid der vordering.

Wanneer de rechter, verstek tegen den niet verschenen gedaagde verleend hebbende, aanneemt, dat — aangezien het door eischer tot staving zijner vordering overgelegd geschrift, als niet behoorlijk gezegeld, buiten het geding moet worden gesteld — aan eischer de grond zijner vordering is komen te vervallen en dat daarom die vordering als ongegrond moet worden ontzegd, dan heeft hij