is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zitting van 11 Juli 1895. Voorzitter: als voren.

Art . 232 Cel. Regl. (Stbl . 1882 No. 22) j°. art . 334 Borg. Rechtsv. — Termijn van hooger beroep.

Het lioogev beroep van de vonnissen der Raden van Justitie hij het Hoog-Gerechtshof vangt aan met de dagvaarding en niet met het verzoekschrift bedoeld in de laatste alinea van art. 10 Regl. op de Burg. Bechtsv.

Volgens art. 984 van het Regl. Burg. Rechtsv., bij art. 232 van Stbl. 1882 Ho. 22 van toepassing verklaard voor de gewesten, over ivelke zich het rechtsgebied van den Raad van Justitie te Makassar uitstrekt, is de termijn van beroep drie maanden, te rekenen van den dag van de beteekening van het vonnis, hetzij aan den persoon, hetzij aan deszelfs woonplaats, of wel van zes maanden voor den beteekende, die in Ned.-lndi'ê woonachtig is buiten het rechtsgebied van dien Raad van Justitie. De dagvaarding in hooger beroep moet derhalve binnen die termijnen zijn uitgebracht.

De lieer Cornelis, Adrianus van Wieringen, appellant, comp. eerst bij den Adv. en Proc, Mr. P. Maolaine Pont, daarna bij Mr. D. Fock,

contra

Louis, Ferdinand Hoeke c.s. geintimeerden, de 1ste, 2de, Ode, 7de, 11de, 13de, 14de en 16de geint. comp. bij den Adv. en Proc. Mr. J. Scbontendorp, de 3de en 10de bij Mr. Tb. A. Ruijs, de 4de bij Mr. T. Henny, de lóde geint. bij Mr. J. R. Voute, de 5de, 8ste, 9de en 12de geint. defaillanten.

HET HOOG-GERECHTSHOF VAN NEDHRLANDSCH-TNDIË,

Gehoord partijen; Gezien de stukken; Ten aanzien der daadzaken: