is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezegeld zijn consteert, hij daarmede kwalijk anders dan een doen steunen op een gestaafd zijn door die acte kan bedoeld hebben, wat te meer klemt indien gelet wordt op eischers in de feitelijke overwegingen vermeld sustenu, hetwelk aan zijn vorderingsrecht tegen de weduwe Abels tot grondslag doet strekken, erkenning van schuld, bewezen door eene onderhandsclie acte en aangeeft, dat blijkens zijne schriftelijke verklaring gedaagde heeft aangenomen het bedoelde bedrag bij hare wanbetaling te zullen voldoen;

dat de rechter a quo derhalve door zijne beslissing eene uitlegging van artikel 78 van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering heeft gegeven, welke den Ilove minder juist voorkomt;

dat toch, naar s' Hofs oordeel, de strekking van bedoelde wetsbepaling onmiskenbaar is 0111 na verstekverleening het vorderen van bewijs van den eischer uit te sluiten, uitgezonderd in de gevallen waarin met het schriftelijk bewijs het recht zelf staat of valt en dan ook dit voorschrift het ontzeggen van den eisch als ongegrond alleen toestaat, indien de aangevoerde feiten in zich zelve geheel onaannemelijk zijn of indien niet alle of niet zoodanige feiten zijn aangevoerd, welke de eischer tot staving van zjjn eisch had bchooren aan te voeren;

O. dat de Raad van Justitie, door van eischer bewijs te vorderen, bedoeld artikel verkeerd heeft toegepast, zoodat een onderzoek. of de overige in het middel aangegeven wetsbepalingen zijn geschonden of verkeerd toegepast en mitsdien tot vernietiging van het vonnis a quo zouden kunnen leidon, achterwege behoort te blijven;

O. dat de-hoofdzaak kan afgedaan worden, nu de beslissing niet afhangt van daadzaken, welke onopgelost zijn gebleven, weshalve de vordering, als ook niet onrechtmatig voorkomende, behoort te worden toegewezen, echter met dien verstande, dat in dezen stand van het geding van eene ten uitvoerlegging bij voorraad niet meer de rede kan zijn, terwijl de verzochte lijfsdwang ter zake der civielrechtelijke verbindtenis van borgtocht niet kan toegestaan worden;