is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een enkel geval een ten uitvoer gelegde gijzeling niet slechts ten gevolge mocht hebben, dat te voorschijn gebracht wordt wat aan den debiteur behoort doch bij ongeluk in handen van familieleden, vrienden of buren is geraakt, maar zelfs dat de familie van den nalatigen debiteur tot hulpverleening geprikkeld wordt, kan uit dit laatste, althans ten opzichte van Chincezen, stellig geen argument tegen het rechtsinstituut van den lijfsdwang worden geput.

Beveelt het wetsvoorstel voor Indië zich aan doordien het besproken punt ongewijzigd is gelaten, wij zouden, zoo het niet voorbarig ware, kunnen applaudisseeren omdat het een nieuw middel tot bewaring van recht bevat, dat een meer consequente toepassing van het beginsel van artikel 1131 burg. wetb. mogelijk maakt. Het voorstel laat namelijk conservatoir beslag op onroerend goed toe. Sedert vele jaren was dit voor Indië een desideratum. Welk practicus weet niet hoe menigmaal het voorkomt, dat een nalatig debiteur zijn onroerend goed op naam van anderen doet overschrijven of voor gefingeerde schulden verhypotheceert, onderwijl zijn schuldeischer bezig is vonnis tegen hem te verkrijgen? Reeds in 1864 schreef Mr. van Gennep (') het volgende: „Ik zie niet in waarom slechts conservatoir arrest op roerende en niet op onroerende goederen wordt verleend. De verduistering bestaat toch niet slechts in liet wegdragen, maar evenzeer in het vervreemden of bezwaren van het goed in fraudem ereditorum. Deze nu kan evenzeer geschieden bij onroerende goederen als bij roerende". In overeenstemming hiermede schrijft de heer Hartogh in de toelichting van zijn voorstel „dat er geen gegronde reden denkbaar is, waarom de conservatoire maatregelen slechts tot het roerend vermogen beperkt zouden moeten worden."

Het middel is met zorg geregeld. Verlof om beslag te mogen leggen op een of meer bepaald aan te wijzen onroerende

(') „De Ordonnantie van 1855 Stbl. No. 79 houdende toepasselijkverklaring van de europeesclie wetgeving op de vreemde oosterlingen.'

W. No. 33.