is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ter plaatse vermeld worden, dat het wetsvoorstel veroorlooft om onder zich zelf als onder een derde beslag te leggen op gelden en goederen verschuldigd of toebehoorende aan hem, van wien men wederkeerig iets te vorderen heeft. Onder gelden zijn hier te verstaan die, welke betrekkelijk zijn tot nog niet vervallen of nog niet vereffende vorderingen, welke de schuldenaar tegen den schuldeiseher-arrestant heeft. De scliuldeischer wendt dan door het beslag het gevaar af, dat de schuldenaar het recht op zoodanige vorderingen aan een ander cedeert. „Nog niet vervallen of nog niet vereffende vorderingen", — want heeft de schuldenaar een opeischbare en voor dadelijke vereffening vatbare vordering tegen den schuldeiseher, dan heeft deze geen belang meer bij een inbeslagneming daar compensatie kan plaats vinden. De procedure is zeer eenvoudig. Alles geschiedt bij één acte. Het exploit waarbij het beslag wordt gedaan, houdt tevens de dagvaarding van den gearresteerde in 0111 het arrest te hooren van waarde verklaren en 0111 te hooren aanwijzen wat daaronder valt. Hebben ook andere sehuldeischers inbeslagnemingen onder den arrestant gedaan, dan geldt het vonnis voor allen.

Na op eeiiige vooral voor Indië belangrijke onderwerpen de aandacht gevestigd te hebben, zullen wij trachten den lezer eenigszins geregeld met den hoofdzakelijken inhoud van het wetsvoorstel bekend te maken. Vooral moet echter gewezen worden op een punt van verschil der indische rechtspleging met de nederlandsche, dat bij een eventueele herziening van het indische reglement kan verdwijnen. Immers terwijl in Nederland de procureur geen schriftelijke volmacht van zijn cliënt behoeft te vertoon en, doch ten opzichte van het feit der machtiging op zijn woord wordt geloofd, moet in Indië de dagvaarding in zaken boven de ƒ200.—, op straffe van nietigheid, gedaan worden namens den eischer op vordering van een procureur daartoe bij geschrifte bijzonder gevolmachtigd (art. IOC Rv.j. Deze overdreven eisch, een overblijfsel uit den ouden tijd (vgl. art. 1 van het provisioneel reglement enz. in Stbl. 1819 No. 20), heeft geheel onnoodigc twistvragen doen ontstaan