is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet bij den eigenlijk competenten rechter zou. willen brengen, willekeurig iedere vordering tot een zoodanig bedrag zou kunnen opvoeren als waardoor de vordering aan het oordeel van een hoogeren rechter zou moeten worden onderworpen, om vervolgens zijn vordering op de zitting te verminderen tot een bedrag, waarover feitelijk een lagere dan de geadiëerde rechter zou hebben moeten beslissen, zoodat de eischer het door een" slinkschen weg in zijn macht zou hebben, om steeds de regelen van attributie van rechtspraak krachteloos tc maken en den gedaagde voor een anderen rechter te roepen, dan dien de wet hem toekent, en hem van een appellatoire instantie te berooven, wat zeer zeker met een goede rechtspraak en de bedoeling des wetgevers niet strookt;

dat in casu ook niet van toepassing is artikel 95, 4o. en 5o. van het Reglement op de Rechterlijke Organisatie, omdat beide partijen eigenlijk gezegde Inlanders zijn;

O. met samenvatting van het bovenstaande, dat dus in het ondemverpelijk geval door eischcr's vermindering van den eisch aan het oordeel des rechters alleen en uitsluitend is onderworpen eene vordering tot een bedrag van /' 50.—, welke echter, zooals uit het vorenstaande blijkt, niet ter competentie staat van den Landraad, maar van het Regentschapsgerecht;

O. dat gedaagde zich niet op deze onbevoegdheid des rechters heeft beroepen, zoodat dë verklaring daartoe alsnog ambsthalve behoort plaats te hebben;

Djaksa en Adviseur geraadpleegd;

Gelet op de aangehaalde artikelen en op de artikelen 80 Rcgeerings Reglement, 83—lo. en 95— lo. van liet Reglement op de Rechterlijke Organisatie, 137, 185 en 187 Inlandsch Reglement;

Rechtdoende:

Verklaart zich onbevoegd van de onderwerpelijke vordering kennis te nemen.

Verwijst partijen naar den bevoegden rechter, het Regentschapsgerecht te Tjiandjoer.