is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewezen vonnis, waarbij de beklaagde is schuldig verklaard aan: „poging tot doodslag'' en deswege veroordeeld tot de straf van dwangarbeid in den ketting voor den tijd van tien jaren en in de kosten, met last tot vernietiging van het als stuk van overtuiging gediend hebbende kapmes;

Gezien de schriftelijke conclusie namens den ProcureurGeneraal, door den wd. Advocaat-Generaal Mr. H. Wichers genomen en gedagteekend den 20sten Juli 1895 No. 482, daartoe strekkende, dat het Hoog-Gerechtshof met verbetering van het tegen den beklaagde gewezen vonnis, hem zal veroordeelen tot de straf van dwangarbeid in den ketting voor den tijd van zeven achtereenvolgende jaren en overigens het vonnis moge bekrachtigen;

Gehoord het rapport van den Raadsheer Mr. W. J. Essers;

O. dat de beklaagde, op de wijze door de wet voorgeschreven en binnen den termijn bij deze gesteld, verklaard heeft van het vonnis revisie te verlangen;

O. dat aan den beklaagde bij de acte van beschuldiging, in hoofdzaak overeenkomstig de acte van verwijzing, is ten laste gelegd:

primair: dat hij in den nacht van 20 op 21 December 1894, ten huize zijner ouders in de dessa Tjaringin van het district Tjiheulang, zijne vrouw Nji Hatie, met het doel om haar te dooden, eenige nader omschreven wonden op verschillende lichaamsdeelen heeft toegebracht;

subsidiair: dat hij op datum en plaats voorschreven zijn echtgenootc voornoemd moedwillig eenige nader omschreven Avonden op verschillende lichaamsdeelen heeft toegebracht, waardoor zij bijna vijf maanden ziek en onbekwaam is geweest om hare dngelijksehe bezigheden te verrichten;

O. dat deze primair en secundair ten laste gelegde feiten staan respectievelijk ter kennisneming van de Rechtbank van Omgang en van den Landraad;

O. dat, moge er in het algemeen geen wettelijk bezwaar bestaan tegen eene beschuldiging waarbij den beklaagde alter-