is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer behoeft te verantwoorden dan bij de boedelscheiding aan de minderjarigen is toebedeeld, tenzij men bewijze dat hij meer heeft ontvangen.

Op alle welke gronden door oorspronkelijk gedaagde wordt geconcludeerd: dat het den Baad moge behagen te ontvangen het appèl, te niet te doen het vonnis van den Landraad te Toeban ddo. 19 Januari 1895 waarvan appèl, en op nieuw rechtdoende, de eischeresse niet ontvankelijk te verklaren met haren eisch dan wel haar dien te ontzeggen, cum expensis;

O. dat geappelleerde daarop in appèl heeftgeantwoord bij aan de tegenpartij behoorlijk beteekende memorie ddo. 19 April 1895;

Ten eerste: dat het beroepen vonnis niet beoogde te geraken tot executie van een vonnis van den Landraad te Toeban van 20 Augustus 1880:

dat op dien datum geen procedure voor dat college aanhangig was, en er dus ook tusschen partijen geen vonnis is gewezen: dat daarentegen geintimeerde bij het beroepen vonnis den door haar ingestelden eisch zag toegewezen op grond van de omstandigheid, dat bij vonnis van den Landraad te Toeban ddo. 20 Augustus 1880 appellant veroordeeld was tot het afleggen van rekening en verantwoording, dat het vonnis in kracht van gewijsde was gegaan; dat de appellant binnen den door den rechter bepaalden termijn de daad niet had verricht waartoe hij bij dat vonnis van 20 Augustus 1880 was veroordeeld en dus thans ten verzoeke van geintimeerde kan veroordeeld worden tot betaling van zoodanig bedrag, als den Landraad zou voorkomen te behooren;

dat het vonnis a quo wel en terecht is gewezen; dat er verschil van gevoelen kan bestaan over de vraag, wie naar de woorden van art. 222 van het zoogenaamd Inlandsch Beglement den termijn behoort te bepalen waar binnen de veroordeelde een zekere daad zal hebben te verrichten, hetzij de rechter, die het vonnis wjjst, (dc Landraad) hetzij de rechter op wiens last de executie geschied (de President van den Landraad) ingevolge de bepalingen van art. 199 en vlgg. van het I. R.;