is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

appellant rekening en verantwoording moest doen aan zijn hem opvolgenden rechtsvertegenwoordiger der minderjarigen;

O. dat hieruit volgt dat appellant, die nog steeds niet aan den last tot het doen van rekening en verantwoording hem bij het vonnis van 20 Augustus 1888 opgelegd, heeft voldaan, gelijk hij zelf erkent, hieraan nog moet voldoen en ook zonder gevaar kan voldoen aan den tegenwoordigen rechtsvertegenwoordiger der minderjarigen, zijnde geappelleerde, waaruit dan verder weer moet volgen, dat ook geappelleerde met passeering van den haar voorgeganen rechtsvertegenwoordiger Djwa Swie Tjioe, die blijkens het voornoemd vonnis ddo. 16 Januari 1894 nalatig was in het vorderen van rekening en verantwoording van appellant, rechtstreeks krachtens het vonnis van 20 Augustus 1888 de appellant in rechten kan betrekken tot het doen alsnog der rekening en verantwoording en bij nalatigheid daarvan tot het hooren waardeeren op geldswaarde van het belang dat zij heeft bij de daad van rekening en verantwoording; O. dat de tweede grief van appellant alzoo is ongegrond; O. wat den eersten grief betreft, dat het juist is dat bij het vonnis van 20 Augustus 1888 geen termijn is bepaald geworden binnen welken de daad van liet doen van rekening en verantwoording moest geschieden, maar dat daaruit niet volgt, dat daarom appellant minder gedwongen zou kunnen worden om de daad te verichten met dat gevolg, dat hjj zijne verplichting des verkiezende maar zou kunnen ontloopen;

dat dit toch zou strijden tegen het gezond verstand en het recht dat het belang der minderjarigen beschermt;

dat daarom in geval de rechter bij zijn vonnis geen termijn, binnen welken de daad moet worden verricht, heeft bepaald, mag worden aangenomen dat de veroordeelde daartoe kan worden aangemaand na verstrijking van zoo langen tijd als naar billijkheid kan noodig worden geacht voor het verrichten van de daad, door een sommatie in welken vorm ook;

dat na de aanzegging op last van den President van den Landraad te Toeban door den ambtenaar ter zijner beschik-