is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de termijnen van appèl (artt. 289, 334, 489, 539 en 818), van request civiel (art. 388) en van cassatie (art. 402) te loopen van den dag der uitspraak van liet vonnis, en ivordt de termijn om een eisch tot vernietiging van een uitspraak van scheidsmannen in te stellen, gerekend aan te vangen met den datum waarop die uitspraak ter griffie is nedergelegd (art. 644).

Verder doet het wetsvoorstel twee incidenten uit de procedure verdwijnen. In de eerste plaats de vordering tot mededeeling van stukken (art. 124), een vordering die altijd van pas komt wanneer men niets anders weet te verzinnen om de zaak op te houden. De partij, die inzage van het oorspronkelijk stuk verlangt, verklaart zulks bij acte van procureur tot procureur, waarop nederlegging ter griffie of overgave tegen recepis moet volgen. In de tweede plaats het verzoek tot stateering van geding (art. 127), voor Indië van minder belang. Want terwijl in Nederland stateering gevraagd wordt bij schriftelijke conclusie, op het verzoek een vonnis valt, dat aan hooger beroep is onderworpen (art. 151 2de lid Ned. B. Rv.) en daardoor een gemakkelijk middel aan de hand gedaan wordt om de beslissing der hoofdzaak tegen te houden door te gaan procedeeren over een stateering, ook dan als men geen stateering behoeft, — wordt in Indië stateering mondeling gevraagd, de beslissing daaromtrent op het audientieblad aangeteekend en is hooger beroep uitgesloten, waardoor het aanvragen van stateering louter om het proces te rekken, onmogelijk is gemaakt. Het beste is evenwel om geen bijzondere bepaling omtrent stateering in de wet op te nemen, zooals het wetsvoorstel doet, dat in stateering niets anders ziet dan een langen termijn aan een der partijen, hetzij met toestemming van de andere, hetzij door den rechter verleend, om zich de noodige bewijsstukken te verschaffen. De zaak blijft dan op de rol, nadere oproeping van partij om voort te procedeeren is onnoodig.

Wat het verleenen van termijnen aangaat, het is te betreuren dat het wetsvoorstel in dit opzicht de bestaande praktijk met hare volslagen lijdelijkheid des rechters handhaaft. De rechter