is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar, zoo zoude hier kunnen worden aangevoerd, in art. 333c S. W. K. worden de bepalingen bij de Landraden en Rapats geldende ten aanzien van het liooren van getuigen uitdrukkelijk toepasselijk verklaard, had dus de wetgever gewild, dat de magistraat ook de bepaling van art. 407 S. W. K. zoude opvolgen, dan had hij dat toch zeker bepaald.

Dit argument schijnt, dunkt mij, gewichtiger dan het inderdaad is. Wat toch is het doel van die bepaling? Blijkens art. 370 I. R. kan de politie-reehter op Java en Madoera recht doen ook op verklaringen van niet beëedigde getuigen en deze bepaling heeft men in het Reglement tot regeling van het Rechtswezen in het Gouvernement Sumatra's Westkust niet gewild. Had men een bepaling als die van art. 370 I. R. eenvoudig weggelaten dan zou men allicht door analogie die bevoegdheid ook voor de magistraten zijn gaan aannemen. Om dat te verhinderen was een uitdrukkelijke bepaling noodig, doch daaruit blijkt dan tevens, dat de bepaling van art. 333c S. W. K. niet zoozeer het doel heeft om voorschriften voor de Rapats geldende toepasselijk te verklaren, dan wel om duidelijk te maken dat men in een bepaald opzicht de bepalingen van het Inlandscli Reglement niet wilde overnemen in het Reglement S. W. K

De bevoegdheid der Raden van Justitie, Landraden en Rapats tot het opleggen van straf wordt door de regelen der samenloop te recht beperkt en is er nu reden om aan te nemen, dat dusdanige beperking voor de Raden van Justitie, Landraden en Rapats wel, doch voor de magistraten niet noodig is?

Men vergete hierbij toch niet, dat de rechtspraak van den magistraat wordt uitgeoefend door ambtenaren, wier opleiding geen genoegzame waarborgen oplevert, dat zij de noodigc geschiktheid bezitten voor dat gewichtig gedeelte van hun taak, immers die opleiding omvat niet de beoefening van het strafrecht. Desniettegenstaande spreken zij geheel zelfstandig recht en hun uitspraken zijn aan geen nadere voorziening onderworpen, zij oordeelen in eerste en laatste instantie. En zou men nu bovendien nog moeten aannemen, dat voor die rechtspraak niet van