is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„van den belastingschuldige tot den heffer geene verandering „gebracht door het feit, dat de Souverein, zooals in casu, het „recht van heffen aan derden heeft afgestaan;

„O. dat, op grond van dezen geheel bijzonderen aard der „verbindtenis, de gevolgen van de niet of niet tijdige voldoe,,ning door den belastingschuldige aan zijne verplichting tot „betalen van geld of het verrichten van heerendiensten niet „mogen beoordeeld worden naar do regelen van het burgerlijk „recht, doch moeten getoetst worden aan de afzonderlijk voor „iedere belasting vastgestelde regelen;

„O. nu, dat, zoo als blijkens de verschillende belastingwetten „de niet of niet tijdige voldoening der belasting in geld geboet „wordt met eene verhoogde belasting , dan wel met eene boete de „niet voldoening gan de verplichting tot het verrichten van „heerendiensten door de opgezetenen der particuliere landerijen, „krachtens art. 60 van meergenoemd Staatsblad, wordt geboet „met eene der straffen bij dat artikel vermeld, terwijl depolitie„rechter daarbij is aangewezen om daarvan kennis te nemen, „zijnde noch in bedoeld reglement, noch bij eenige andere verordening bepaald, dat bij niet voldoening aan de verplichting „tot het verrichten van heerendiensten, behalve de vastgestelde straf, ook nog de verplichting tot vergoeding „van de daardoor geleden schade zoude bestaan, hetwelk „toch noodig zoude zijn, daar op zich zelve de niet voldoening „aan eene schuldvordering, uit het publiek- recht voortvloeiende, „hoewél door den politierechter gestraft, even weinig eene onrechtmatige daad is die aanleiding geeft tot eene actie tot schadevergoeding als de niet voldoening aan eenige gewone civielev ordering;

„O. dat de wetgever in laatstgenoemd art. 60 niet alleen den „rechter, in casu den politierechter, heeft aangewezen als be„voegd om in zaken als deze recht te spreken, maar ook den „door hem aangewezen rechter de grenzen gesteld heeft binnen „welke hij zich bewegen moet, zoodat ieder andere rechter, „meer speciaal de burgerlijke, onbevoegd is om van vorderingen „als de ondencerpélijke kennis te nemen;