is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boor den etscher in de dagvaarding gesteld zijnde, „dat hij icenscht te doen ophouden het gebruik afgestaan aan den ge..failleerde van een hem, eischer, door koop en opvolgde levering „toebehoorenden inboedel en dat hij de goederen, zich nu bevin„étende in het bezit van de curatrice van gefailleerde, de Wees,,en Boedelkamer te Soerabaja of wel van haren agent te „Bundjermasin, wenscht terug te ontvangen", zoo blijkt duidelijk dat hier geene revindicatie van roerende goederen, maar de vordering van artt. 1740 jo. 1744 en 1750 van het Burg. Wetb. is ingesteld.

Volgens art 755 Wetb. v. Kooph. heeft het vonnis van faillietverklaring ten gevolge, dat de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijne goederen verliest, welke beschikking en beheei— en daarmede de uitoefening der vermogensrechten van den schuldenaar in hunnen geheelen omvang — overgaan op de curatrice.

Daaruit volgt dat, evenals de schuldeiseher van den failliet in denzelfden rechtstoestand tegenover de curatrice blijft alsof de failliet zelf tegenover hem stond, zoo ook die schuldeischer dezelfde bewijsmiddelen tot staving zijner vordering tegen de curatrice kan aanwenden, die hij tegen den failliet zeiven zou hebben kunnen bezigen.

De dagteekening eener onderhandsdie acte moet derhalve evenals tusschen den schuldeischer en den failliet, zoo ook tusschen den schuldeischer en de curatrice, gelden als tusschen partijen bij die acte.

Boudewijn, Jolian, Willem, Engelbert Broers, Oud-Eesident van do Eesidentie Zuider- en Ooster-afdeeling van Borneo (ten rechte handelaar), wonende te Bandjermasin, appellant, comp. hij den Adv. en Proc. Mr. J. Gerritzen,

contra

de Wees- en Boedelkamer te Soerahaja, aldaar gevestigd, in hare hoedanigheid van curatrice in liet bij vonnis van den Eaad van Justitie te Soerabaja ddo. 14 September 1692 nit-