is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de door hem ingestelde vordering is ontvankelijk verklaard en op de aangevoerde gronden heeft geconcludeerd voor antwoord in appèl: tot niet-ontvankelijkverklaring van het appél en anders in elk geval tot bevestiging van het vonnis a quo, met veroordeeling van appellant in de kosten van het hooger beroep, en in incidenteel appèl: dat het den Hove moge behagen met ontvangst van het incidenteel appèl alsnog te vernietigen het vonnis waarvan dit appèl en. doende hetgeen de> eerste rechter had behooren te doen, den appellant, oorspronkelijk eisclier, alsnog niet ontvankelijk te verklaren met den door hem ingesteldcn ciscli en de dienovereenkomstig genomen conclusien, immers en in elk geval hem die te ontzeggen, alles met veroordeeling van den appellant, oorspronkelijk eischer, in de kosten van beide instantien;

O. dat appellant op de in zijne conclusie van antwoord in incidenteel appèl vervatte motieven heeft geconcludeerd: dat het den Hove moge behagen de geintimeerde met de door haar in incidenteel appèl gedanen eisch en genomen conclusien nietontvankelijk te verklaren, immers haar die in ieder geval te ontzeggen, met veroordeeling van geintimeerde in de kosten van het incidenteel appèl;

O. dat partijen vervolgens de zaak by pleidooi hebben toegelicht, waarna de nederlegging der stukken gelast en de uitspraak bepaald is;

Ten aanzien van het recht:

O. dat in de eerste plaats onderzocht behoort te worden of appellant, zooals door geintimeerde is beweerd, met het door hem ingesteld hooger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, hetgeen volgens geintimeerde hieruit zou volgen, dat de dagvaarding in eersten aanleg is uitgebracht ten verzoeke van Boudewijn, Johan, Willem, Engelbert Broers, Oudlfesident van de Residentie Zuider- en Ooster-afdeeling van Borneo en ook het vonnis, waarvan appèl, tusschen dezen eischer en de geintimeerde als gedaagde is gewezen, terwijl het thans aanhangige appèl is ingesteld door Boudewjjn, Johan, Willem,