is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft geoordeeld, dat appellants bezwaren alleen golden de nominatim aangegeven posten, met welke bedragen derhalve het eindeijfer der rekening moest worden verminderd, indien deze niet één voor één door eiseher zouden worden gestaafd;

O. dat de derde grief opkomt tegen de toelating 0111 eisehers vordering door boekenbewijs te staven en in de eerste plaats strekt om te betoogen, dat dit boekenbewijs bij de algeheele ontkentenis der handeling niet was admissibcl, wat vooral zoude moeten gelden in het systeem van het aangevallen interlocutoir, volgens hetwelk elke post eene afzonderlijke handeling zou opleveren en de posten, waarover boekenbewijs, werden ontkend;

dat dit sustenu is gegrond op de stelling, dat artikel 1882 van het Burgerlijk Wetboek, regelende de bewijskracht van koopmansboeken tegenover particulieren, tot de toelaatbaarheid van dat bewijs hetzelfde requisiet zou stellen als de wet uitdrukkelijk tegenover kooplieden aangeeft;

dat evenwel eene vergelijking van bovenaangehaald wetsvoorschrift met artikel 11 van het Wetboek van Koophandel duidelijk in het licht stelt, dat. naarmate de boeken als bewijsmiddel moeten dienst doen tegen kooplieden of niet-kooplieden, hunne bewijskracht van andere voorwaarden afhankelijk is gesteld, gelijk zij andere feiten betreft;

(lat in de tweede plaats appellant beweert, dat de openlegging der boeken slechts de hoedanigheid en hoeveelheid der goederen zou mogen doen blijken en niet de levering zelve;

dat echter het bewijs van qualiteit en quantiteit, in voormeld artikel van het Burgerlijk Wetboek aangegeven, het bewijs der levenrantie zelve zal moeten insluiten;

dat, zou men voor artikel 11 van het Wetboek van Koophandel mogen aannemen, dat aldaar het bewijs van die beide omstandigheden allerminst de leverantie, zelve aantoont, in aanmerking behoort te worden genomen dat in laatstbedoelde bepaling een bewijs der handeling op zich zelve wordt gevorderd (immers als voorwaarde geldt dat de handeling niet is ontkend), terwijl artikel 1882 van het Burgerlijk Wetboek het bewijs van