is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gestelde niet-ontvankelijk verklaring van het ingesteld beroep, op grond dat het middel van cassatie in deze niet is toegelaten;

dat bij artikel II der Ordonnantie in Staatsblad 1888 No. 138 is bepaald, dat de vonnissen door den Residentieraad in overtredingzaken gewezen in het hoogste ressort, zoomede die door den Raad van Justitie te Semarang in hooger beroep van eerstgemelde vonnissen gewezen, vatbaar zijn voor cassatie met inachtneming van en overeenkomstig de deswege voor vonnissen van Landraden en van Raden van Justitie op Java enMadnra in die gevallen bestaande verordeningen;

dat de woorden: „en van Raden van Justitie" hier blijkbaar alleen terugslaan op de voorafgaande woorden: „zoomede die door den Raad van Justitie te Semarang in hooger beroep van eerstgemelde vonnissen gewezen." zoodat de vraag of de cassatie van het onderwerpeljjk vonnis is toegelaten, hieraan moet getoest worden of dit middel zoude mogen aangewend worden zoo het vonnis gewezen ware door een Landraad op Java en Madura;

O. dat de den beklaagde bij de acte van dagvaardig ten laste gelegde feiten slechts zijn strafbaar gesteld met eene geldboete, die wel is waar zwaarder of lichter is al naar gelang dat zij door een Europeaan dan wel door een Inlander zijn gepleegd (vide de artikelen 290 respectievelijk van het Strafwetboek voor Europeanen en van dat voor Inlanders), doch welke niettemin in geen van die beide gevallen althans het bedrag van f 25.— te boven gaat;

dat mitsdien de onderwerpelijke overtreding, indien zij inde Gouvernementslanden op Java en Madura ware gepleegd geworden, in allen gevalle overeenkomstig de artikelen 108, 109 en 110 van het Reglement op de Rechterlijke Organisatie in verband met de artikelen 95 sub 3e en 172 eodem in eersteen hoogste ressort tot de competentie van den Politierechter zoude hebben behoord, als zijnde toch de in dergelijke overtredingzaken gewezen vonnissen, volgens de uitdrukkelijke bepalingen welke respectievelijk in de slot-alinea van artikel 109 en in den