is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geding te brengen en er nu geene reden denkbaar is waarom eene getuigenverklaring afgelegd voor den Rechter-Commissaris bij de voorlo.opige informatiën als bewijsmiddel mindere waarde zou hebben, dan zoodanige verklaring afgelegd voor denzelfden rechter bij de instructie;

dat derhalve vorenbedoelde voorgelezene verklaring van den getuige Reerink wel degelijk een wettig bewijsmiddel oplevert, waardoor versterkt wordt het bewijs der onwaarheid van beklaagde's voorgeven aan den getuige Dunlop, dat hij, beklaagde, als geëmployeerde der firma Reering & Co. van deze de opdracht had ontvangen om ten haren behoeve inkoopen te doen en de daarvoor benoodigde gelden voor hare rekening bij den getuige Dunlop op te nemen;

O. dat overigens het vonnis a quo, zoowel ten aanzien van de kwalificatie als van de straf, wel en te recht is gewezen;

Gelet op artikelen 189, 1899 en 411 van het Reglement op de Strafvordering;

Rechtdoende:

Doet te niet het appèl.

Bekrachtigt het vonnis waarvan appèl.

Veroordeelt den appellant nog in de kosten dezer appellatoire instantie.

(Tweede Kamer).

HOOGER BEROEP.

Zitting van 7 Augustus 1895.

Voorzitter: Mr. G. H. Lowe.

Art . 68 ex 76 Stblad 1893 No. 190. — Art. 103 Strafw. Eür. — Ambteraren en beambten van den stoomtramdienst in de uitoefening hunner fünctiën.

Het woord, „aantasting" in art. 76 van Stblad 1893 No. 190 draagt op zich zelf een zeer algemeen karakter.

LXVI. 6