is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den beklaagde om op den bepaalden dag ter terechtzitting te verschijnen;

dat de Landraad ten dage voorschreven de zaak van den beklaagde op de gewone wijze heeft onderzocht en berecht;

O. dat in de eerste afdeeling van den elfden titel van het Inlandsch Reglement de regelen zijn vastgesteld omtrent de verwijzing van strafzaken naar de terechtzitting van den Landraad en onder meer daarin bij de artikelen 240a juncto 240d en 240e alinea 1 en 3 is bepaald, dat de President, na den inhoud der hem ingevolge artikel 82 door den Resident of Assistent-Resident toegezonden stukken in overweging te hebben genomen en wanneer hij oordeelt, dat de zaak tot de kennisneming der door hem voorgezeten rechtbank behoort, geen nader onderzoek vereischt en er genoegzame termen tot verdere vervolging van* den beklaagde ter zake van misdrijf bestaan, met vermelding der geïncrimineerde feiten de terechtstelling voor den Landraad gelast, met bepaling van den dag der terechtzitting en met bevel de getuigen te doen oproepen en den beklaagde met den inhoud der acte van verwijzing in wetenschap te stellen;

O. dat deze voorschriften, als van algemeenen aard, niet enkel betrekking hebben op die zaken, waarvan de stukken aan den President, ingevolge artikel 82 van het Inlandsch Reglement, worden toegezonden, maar evenzeer op die, waarvan hij kennis draagt ingevolge toezending door eenen ambtgenoot, welke in het geval verkeert van artikel 240c. zooals in easu;

O. dat immers uit den aard der zaak eene dergelijke beschikking als de bovenaangehaalde van den President van den Landraad te Probolinggo geene bindende kracht kan hebben voor den bevoegd geachten Landraad om van de zaak kennis te nemen en eene beschikking, waarbij slechts een rechtsdag wordt bepaald tot het houden der terechtzitting, niet in de plaats kan treden van eene acte van verwijzing, welke de basis is van het strafproces;

LXVI. 7