is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderneming is vastgelegd. Dit gedwongen en ontijdig realiseeren loopt op nadeel voor de belanghebbenden uit. Bevoegdheid om de zaken hetzij voor rekening van den minderjarige alleen, hetzij van dezen met anderen voort te zetten, heeft de boedelkamer niet. Voeg hierbij de bestaande rechtsonzekerheid, welke ook voor de boedelkamers te weeg brengt, dat, wanneer zij voor haar pupillen in rechte moeten opkomen, niet zelden een fortuin verspeeld wordt aan proces-kosten, enkel om het antwoord te krijgen op de vraag, bij welken rechter men wezen moet. De bekende ellendige bevoegdheids-quaestiën.

Doch hoe dit zij, een feit is het dat Cliineezen, die minderjarige kinderen hebben, niet zelden tot het maken van een onnatuurlijk testament overgaan. Vroeger had de boedelkamer een wapen daartegen. De wetgever van Stbl. 1855 No. 79 had het haar verschaft, door de bepalingen van het Burgerlijk wetboek omtrent de legitieme portie in de toepasselijkverklaring op te nemen. Vermoedelijk zou die wetgever verbaasd opkijken, wanneer hij kon gewaar worden dat de latere jurisprudentie der boedelkamer dat wapen uit de hand geslagen heeft. Het stof der archieven behoeft niet opgeschud te worden om dit beweren te staven. De heer Mr. J. Sibenius Trip gaf in dit Tijdschrift (dl. XXVII, bl. 65 en vlg.) een verkorte toelichting van de ordonnantie in Stbl. 1855 No. 79 uit de officieële bescheiden geput, waaruit de bedoelingen van den wetgever voldoende zijn op te maken. Wij lezen daar dat de ordonnantie ontworpen is door den Kaad van Indië, waarin Mr. C. Visscher, een man die als een scherpzinnig rechtsgeleerde bekend stond, zitting had. Bij het samenstellen was men van het beginsel uitgegaan, om de vreemde oosterlingen zooveel maar immer mogelijk onder onze wetten te doen leveh en alzoo de uitzonderingen op de toepasselijkverklaring tot het volstrekt noodzakelijke te bepalen. Aan de ordonnantie waren voorafgegaan een ontwerp van den Staatsraad Wichers, een voorstel van den toenmaligen advocaat Mr. F. Alting Mees, benevens een voorstel van den raadsheer in het Hooggerechtshof Mr. P. Brunsveld