is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BURGERLIJKE ZAKEN.

HET HOOG-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIË (Eerste Kamer).

HOOGER BEROEP.

Zitting van 12 Maart 1896.

Voorzitter: Mr. A. Stibbe Lzn.

Artt. 221 en 160 Rechtv. — Bericht van deskundigen. — Gerechtelijk onderzoek over de echtheid of onechtheid van geschriften.

Aangenomen■ dat de bepalingen, voorkomende in de 3e afdeeling van den tweeden titel van het eerste boek van het Regl. Burg. Rechtsv. „van bericht van deskundigen in het algemeen", ook toepasselijk zijn op het bericht van deskundigen, bedoeld in de 5e afdeeling van dienzélfden titel „van de geschillen over de echtheid of onechtheid van geschriften en het gerechtelijk onderzoek deswege", zoo kan dit niet het geval zijn met de voorschriften vervat in art. 221 aldaar, omdat aan de hier gegeven algemeene voorschriften gederogeerd is door de voor het laatste geval geldende speciale bepalingen van art. 160 eodem.

De Arabier Seeh Abdoellah bin Mohamad Tarmoen, koopman, wonende te Cheribon, appellant, comp. bij den Adv. en Proc. Mr. A. Maclaine Pont.

contra

de onder meer te Cheribon en te Batavia gevestigde vennootschap van koophandel onder de firma Geo Wchry & Co., geïntimeerde, comp. bij den Adv. en Proc. Mr. E. H. Winkelman.