is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat de requirant, blijkens de toelichting van het eerste middel, het aangegeven artikel geschonden acht doordien dezelfde persoon, de controleur P. van Tubergen, die als Magistraat de geïncrimineerde opium calangeerde en in beslag nam, tevens President is geweest van de Rapat die van de zaak heeft kennis genomen, waardoor deze rechter, als aanhaler volgens artikel 25 van Staatsblad 1890 No. 149 juncto No. 155 recht hebbende op 3 / 7 bi de waarde van het geconfisqueerde heulsap en in de verbeurde geldboete, van welk recht alléén de gewestelijke Secretarissen en de hoogere ambtenaren van het binnenlandsch bestuur zijn verstoken, bij het onderwerpelijk geding persoonlijk en rechtstreeksch belang had, en mitsdien de Rapat te Boea, voorgezeten door een uitgesloten rechter, niet wettig samengesteld, althans ten deze onbevoegd was;

O. te dien aanzien, dat ingevolge de Ordonnantie in Staatsblad 1884 No. 76 de controleurs bij het binnenlandsch bestuur op de bezittingen buiten Java en Madoera die, zooals in casu de controleur der onderafdeeling Lintau en Boea (afdeeling Tanah Datar, residentie Padangsche Bovenlanden), het dagelijksch bestuur voeren over een gedeelte van een gewest, zijn hoofden van plaatselijk bestuur en deze blijkens artikel 1 la. B van het besluit van 18 September 1853 No. 5 (Staatsblad No. 73) geene aandeelen in boeten en verbeurdverklaring, toegekend aan aanbrengers en aanhalers, kunnen genieten', terwijl bovendien krachtens artikel 2 der resolutie van 16 September 1833 No. 6 (Staatsblad No. 56) de leden der rechtbanken, hetzij als aanbrengers of anderszins, geen aandeel hoegenaamd mogen genieten in de boeten, welke ter zake van begane overtredingen van wetten en reglementen worden ingevorderd;

dat derhalve de President van de Rapat bij dit geding geen persoonlijk, hetzij rechtstreeksch, hetzij zijdelingsch. belang had en dit middel alzoo is ongegrond;

O. dat de requirant, blijkens de toelichting van het tweede middel, de aldaar vermelde artikelen geschonden acht, doordien zoowel in het vonnis van de Rapat als in dat van den Raad