is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoodat de requirant tot dien derde slechts stond in de verhouding van lasthebber tot lastgever en laatstgenoemde de voor de wet verantwoordelijke bezitter bleef;

O. te dien aanzien, dat omtrent den aard van het bezit, ter zake waarvan de requirant is veroordeeld, de rechter a quo zich in 't geheel niet heeft uitgelaten en dat, voor zoover dit middel de strekking heeft om alsnog in cassatie zoodanig onderzoek te doen plaats hebben, de requirant daarbij niet het minste belang heeft, vermits toch het in artikel 19 van Staatsblad 1890 No. 149 gebezigde woord „bezitten" blijkens het daaraan voorafgaande „in voorraad hebben" en het daarop volgende „vervoeren" niet slechts het juridisch bezit, maar ook de nuda detentio omvat;

O. dat er geen gronden bestaan om het vonnis, waartegen cassatie, ambtshalve te vernietigen;

Lettende, behalve op de aangehaalde wetsbepalingen, op de artikelen 303 s.q.q. en 411 van het Reglement op de Strafvordering ;

Rechtdoende:

Verwerpt het beroep in cassatie.

Veroordeelt den requirant in de kosten daarop gevallen.

Zitting van 30 April 1890.

Voorzitter: als voren.

Artt. 28 en 37 Regl. Burg. Stand. — Inschrijving eener acte van geboorte, nadat de termijn voor de aangifte bij de wet bepaald verstreken is.

De ambtenaar van den burgerlijken stand, die eigendunkelijk een geboorte in het daartoe bestemde register inschrijft, waarvan de aangifte gedaan is na den termijn door de wet bepaald, bewerkstelligt in den zin der wet eene aanvulling van acten in de registers en vervalt daardoor in de bij art. 28 van het Regl. Burg. Stand bedreigde strafbepaling.

LXVI. 13