is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. alsnu aangaande het tweede aan beklaagde ten laste gelegde feit:

dat de wijze waarop hij zich den toegang tot de woning van den Inlander Hamdjah heeft verschaft, met het cog op artikel 311 van liet Wetboek van Strafrecht voor Inlanders, alléén als buitenbraak behoort te worden gequalificeerd, kunnende in casu van inkliinming geen sprake zijn, aangezien beklaagde, om in gemelde woning te komen, niet heeft gehandeld op een der wijzen omschreven bij artikel 313 van meergemeld Strafwetboek;

O. wijders, mede ten opzichte van het tweede door beklaagde gepleegde feit, dat zijne bekentenis en de omstandigheid dat nagenoeg al het gestolene tot den bestolene is teruggekeerd den Hove aanleiding geven tot toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht voor Inlanders;

O. dat de opgelegde straf dientengevolge niet meer is overeenkomstig de wet;

O. dat het vonnis mitsdien behoort te worden verbeterd;

Gelet, behalve op de aangehaalde wettelijke bepalingen, op de artikelen 295 en 411 van het Reglement op de Strafvordering voor de Raden van Justitie op Java enz., zoomede op de artikelen 22, 301 le, 306 en 307 van het Wetboek van Strafrecht voor Inlanders en de artikelen 356 en 359 van Staatsblad 1880 No. 55;

Rechtdoende:

Verklaart den beklaagde schuldig aan: „poging tot diefstal met braak op eene plaats, die niet als een bewoond huis wordt aangemerkt of daarmede gelijkgesteld" en „diefstal met buitenbraak in een bewoond huis, het laatste onder verzachtende omstandigheden".

Veroordeelt hem deswege tot de straf van dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van twee jaren.

Bekrachtigt het vonnis voor het overige.

Veroordeelt den beklaagde nog in de kosten in revisie gevallen.