is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voetspoor van Jamieson, spraken van een gemeenschappelijk, van een familievermogen, behoort een oogenblik hierbij stilgestaan te worden. De schrijvers zijn het er inderdaad over eens, dat de paterfamilias tijdens zijn leven niet sléchts de controle, maar ook de onbeperkte beschikking over het gemeenschappelijk vermogen heeft. De bevoegdheid van den vader om onbeperkt over dat vermogen te beschikken, en het denkbeeld dat dit vermogen niet alleen aan hem, maar aan hem en zijne zoons zou toebehooren, strijden ontegenzeggelijk tegen elkander. Jamieson zegt dan ook dat hier is een logical inconsistency (*) (Chin. Rev. t. a. pbl. 204). Zonder het begrip familievermogen te laten varen, moet men blijkbaar aannemen, dat tijdens het leven van den vader het recht van den zoon op een aandeel in het onder beheer des vaders staande vermogen meer in beginsel erkend is, dan dat dit recht daadwerkelijk tot beperking van de bevoegdheid van den vader zou kunnen leiden. Gaat evenwel de vader tot verdeeling over, of heeft deze na zijn dood plaats, dan komt liet karakter van het vermogen als familievermogen uit. Nu treedt de wet tusschenbeide die zegt, dat de verdeeling eerlijk geschieden moet. M. a. w. geen lid der familie mag voorbijgegaan of benadeeld worden. De oorspronkelijke wet, de Lu, was tot dit sobere algemeene voorschrift beperkt. Hierbij valt op te merken, dat niet het individu, maar de familie de eenheid is van de Chineesche maatschappij. Waar mogelijk, beperkt zich de wetgever tot het geven van bevelen aan hen die de familie vertegenwoordigen. Blijkbaar beschouwde de wet oorspronkelijk de vcrdeeling van het gemeenschappelijk vermogen als een familiezaak. De détails rekende zij niet tot haar domein te behooren.

(') De schrijver wijst er op dat in koopakten een stuk grond betreflende, niet zelden vermeld wordt dat de verkooper tot den verkoop is overgegaan „uit gebrek aan middelen". Die woorden, thans een bloote formule, zouden er op doelen dat oudtijds geen dus. danige verkoop mocht plaats hebben dan met goedvinden van alle bij dat stuk grond belanghebbenden, de toekomstige erfgenamen, tenzij de verkoop uit nood geschiedde.