is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

finds her maintelianee secured by the legal portion of the patrimony which appartained to her deeeased husband".

Reeds vroeger merkten wij op dat hier te lande niet eenstemmig over de vraag wordt gedacht. De commissie van 1865. aan wie de herziening van de ordonnantie in Stbl. 1855 No. 79 was opgedragen, schijnt inderdaad gemeend te hebben, dat in het Chineesche recht de bevoegdheid tot onbeperkt testeeren wordt erkend. Overigens geven wij dadelijk toe, dat wij voor zoover wij konden nagaan, bespeurd hebben dat de meesten der hier te lande gevestigde sinologen zich in hun adviezen tegen een dergelijke bevoegdheid hebben verzet. De heer M. von Faber neemt echter een onbeperkt recht van testeeren aan. Wij behoeven niet in een bizondere bestrijding te treden van de door dien sinoloog te berde gebrachte argumenten. Wij meenen dat zij in hetgeen wij boven schreven, zijn behandeld. Wij maken alleen van de afwijkende overigens geëerbiedigde meening van genoemden heer gewag, om er op te wijzen hoe zeer verschil van opvatting ten deze niet beperkt blijft tot het studeervertrek, maar in de praktijk verstrekkende gevolgen heeft. Wan' uit den aard der zaak oefent een sinoloog tevens lid eener boedelkamer, grooten invloed uit op de gedragslijn dezer laatste. Zoo konden wij waarnemen dat de boedelkamer te Soerabaja (van welke de heer von Faber buitengewoon lid is), voor Chineezen een onbeperkt recht van testeeren aanneemt en zich dus neerlegt bij testamenten van Chineezen, die hun minderjarige zoons onterven. Een jeugdig schrijver, de heer G. von Faber, neemt in zijne ten vorigen jare te Utrecht verdedigde dissertatie over het familie en erfrecht der Chineezen. waaraan veel studie en arbeid is ten koste gelegd, eveneens een onbeperkt recht van testeeren. althans ten deele, aan. Voor zoover de schrijver, tot staving zijner meening, beweert dat geen wettelijk voorschrift bestaat, dat den vader verbiedt om naar goedvinden over zijn nalatenschap te beschikken, alsmede dat de vader recht heeft op absolute onderworpenheid van zijn kinderen aan zijn wil en bevelen, — mogen wij naar het bovenstaande verwijzen. De schrijver doet verder