is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar te recht de burgerlijke wet. ook in het Moh. recht de minder- en meerderjarigheid regelt, zoo zullen we dus ook, bij de verklaring van het Strafwetboek voor Inlanders omtrent het begrip van minder- en meerderjarigheid van den Inlander, eenig en alleen te rade moeten gaan met het Moh. recht, ( x ) zoolang dit te dien aanzien niet door andere bepalingen dooiden europeeschen wetgever vervangen is.

De strafwetgever, wiens bedoeling natuurlijk geweest is, dat art. 271 ook op inlandsche meisjes beneden de 16 jaren, daar hij ze beschermen wilde als minderjarigen, van toepassing zoude zijn, heeft echter zijn doel eenigermate voorbij gestreefd. Slechts zeer beperkt geldt dit artikel voor den ontvoerder van een inlandsch meisje, doch onbeperkt voor dien van een europeesch minderjarig meisje of minderjarige vreemde oosterlinge beneden de 16 jaren (art. 330 B. W. — Stbl. 1855 No. 79 art 1 la. n, lo) ( 2 ). — Dezelfde beperkte toepasselijkheid op den Inlander moet aangenomen worden van art. 252 S. v. I., want de 2e alinea van dit artikel spreekt van ouders en voogden of andere personen. belast met het toezicht over deze (de in de le alinea genoemde) jongelieden, waaruit m. i. volgt, dat met jongelieden niet anders bedoeld kan zijn dan „minderjarigen", want meerderjarigen staan niet meer onder toezicht van ouders of voogden. Ook de in de le alinea genoemde leeftijden in verband met de 2e alinea kunnen als bewjjs strekken, dat ,jongelieden" in dit

(') In civilibus wordt algemeen in de rechtspraak over den Inlander vastgehouden aan de bepalingen der minder- en meerderjarigheid in het Moh. recht. Het gaat dus ook niet aaa om een civiele — en strafrechtelijke minderjarigheid aan te nemen. Men kan toch moeilijk voor de strafwet nog onmondig zijn, terwijl men overigens in de maatschappij mondig en tot de uitoefening van alle vermogensrechten bevoegd isp Welk eene tegenstrijdigheid zou dat zijn!— Zie nog Abendanon, Pasicrisie 1, voce „meerderjarigheid", aant. No. 3.

( 2 ) Zie in gelijken zin Mr. Margadant, Verklaring der Ned.-Ind. Strafwetboeken, ad art. 271 bl. 500 en 501. Hij spreekt van een Europeesch of Chinetsch meisje, waarop het artikel alleen onbeperkt betrekking zou hebben, maar de bedoeling zal wel zijn: „Chineesch of ander piinderjarig meisje, die vreemde oosterlipge is".