is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De nieuwe Ordonnantie op den verhuur van grond door inlanders aan niet-inlanders (stbl. 1895 Xo. 247) uit een juridisch oogpunt beschouwd.

Met eene regeling als bij bovengenoemd Staatsblad is afgekondigd, zijn uit den aard der zaak zoo vele en zoo uiteenloopende belangen gemoeid, dat het oordeel over de waarde daarvan zeer verschillend kan zijn al naai* mate van het standpunt waarop men meent zich te moeten plaatsen.

Ik stel mij voor aan deze ordonnantie, waarmede eene afdoende regeling beoogd werd van eene aangelegenheid, die voor een groot deel van den Europeeschen landbouw op Java eene levenskwestie is, in de volgende bladzijden eenige beschouwingen te wijden waarbij ik mij wensch te plaatsen op het standpunt dat dc jurist naar mijn inzien bij de beoordeeling van eene materie als deze behoort in te nemen. Het onderzoek kan dientengevolge in hoofdzaak geen ander doel hebben dan ons in staat te stellen tot de beantwoording van deze twee vragen: lo Zijn de beginselen, waarvan de wetgever is uitgegaan bij de hier te bespreken regeling in overeenstemming met die, welke tot dus verre in wetenschap en wetgeving als juist zijn aangemerkt? en 2o. Is de wetgever er in geslaagd om zijne gedachten op gelukkige wijze onder woorden te brengen?

Het zal echter niet wel 'doenlijk zijn dit onderzoek uitsluitend hiertoe te bepalen. Zijns ondanks wordt de juridische beoordeelaar er toe gebracht het terrein van zijn onderzoek wat ruimer te nemen, ten einde ook eens te kunnen nagaan op welke bezwaren de afgekondigde voorschriften in de praktijk waarschijnlijk zullen stuiten. Het door mij ingenomen standpunt brengt nu eenmaal mede dat men zich niet uitsluitend tot bespiegelingen bepale, maar ook met de nuchtere