is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdraagt, was een maatregel door de noodzakelijkheid geboden, omdat in de gegeven omstandigheden elke andere uitweg was afgesloten. De bewoordingen waarin dit voorschrift vervat is. laten geen redelijken twijfel over of het is des wetgevers bedoeling dat liet gelieele Indische B. W. op die huurovereenkomsten, onder liet zooeven genoemde voorbehoud, toepasselijk zal zijn, en niet alleen de zevende titel van liet Derde Boek „van huur en verhuur''. Het gevolg dezer toepasselijkverklaring is dat ingevolge art. 124. 2o. R. O. de inlandsclie verhuurder ook als gedaagde berecht, wordt door den dagelijkschen rechter deiEuropeanen.

Het laatste punt waarop ik wenscli te wijzen, betreft het gebied waar binnen de huurordonnantie hare werking zal doen gevoelen. Dat het in de bedoeling van den wetgever heeft gelegen dat zij alleen zal gelden voor Java en Madura met uitzondering der Vorstenlanden staat, dunkt niy, vast, maar ik hoop later aan te toonen dat art. 20, volgens de vastgestelde redactie, deze bedoeling niet volkomen juist weergeeft.

I.

Daar eene systhematische behandeling zeer veel kan bijdragen tot een juist inzicht in de verschillende kwestiën waarop bij eene bespreking van de overeenkomsten, in de huurordonnantie geregeld, de aandacht moet worden gevestigd, stel ik mij voor achtereenvolgens ter sprake te brengen: a. de subjecten deiovereenkomst; b. het object daarvan; e. de verplichtingen die de ordonnantie aan eene der partijen of aan beide oplegt als een onmiddellijk gevolg der huurovereenkomst; d. de geoorloofde en de verboden handelingen en bedingen; e. de wijze van tot stand koming der overeenkomst, waarbij des Pudéls Kern , de registratie, uitvoerig zal moeten worden besproken; en ten laatste f. de gevolgen der overeenkomst zoowel voor partijen als voor derden.

Ten aanzien van de subjecten der huurovereenkomst laat de