is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staven, die zal het begrijpelijk vinden dat mijn antwoord op de eerste der in den aanvang van dit opstel voorkomende vragen weinig gunstig kan zijn. De beginselen waarvan de wetgever in de huurordonnantie is uitgegaan zijn te veel in strijd met die in de bestaande wetgeving gehuldigd, zoowel als met de opvattingen der rechtswetenschap. En het onvermijdelijk gevolg hiervan is dat de wetgever meermalen in tegenspraak komt met zich zeiven.

Leidt nu het onderzoek naar de in de tweede der door mij gestelde vragen bedoelde aangelegenheid tot meer bevredigende uitkomsten ? Is de wetgever er in kunnen slagen om de door hem, hoe geheel ten onrechte dikwijls, aangenomen beginselen op dragelijke wijze onder woorden te brengen?

Om dit te kunnen nagaan zal het noodig zijn dat overeenstemming besta omtrent de eischen waaraan voldaan moet zijn, wil men mogen beweren dat de wetgever behoorlijk geslaagd is in de redactie zijner voorschriften. Misschien kan men hierover verschillend denken. Ik voor mij zou meenen dat te dien einde zal moeten kunnen aangetoond worden:

lo. dat de redacteur niet zondigt tegen algemeen gangbare opvattingen wat betreft de eischen van goed Hollandsch en de beteekenis van in onze taal gebezigde woorden en uitdrukkingen;

2o. dat de redactie der wetsbepalingen zoo juist als mogelyk is des wetgevers gedachten weergeeft, zonder overtolligheden en met zorgvuldige vermijding van elke aanleiding tot misverstand, maar vooral, zonder dat de lezer den indruk krijgt dat de redacteur eigenlijk zelf niet goed wist wat hij neerschreef, en 3o. dat een behoorlijk stelsel is gevolgd bij de rangschikking en de artikelsgewijze indccling der verschillende voorschriften waaruit cene algemcenc verordening bestaat.

Toetst men nu de huurordonnantie aan de sub lo. gestelde eischen dan treft ons reeds bij de eerste lezing het onophoudelijk verkeerde gebruik van liet woord verhuring , of, zooals in den aanvang van art. 1 staat, het verhuren. Woorden toch als verhuring, verkooping en verpachting doelen meer in het bijzonder