is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat de beklaagde bij de acte van beschuldiging in overeenstemming met de acte van verwijzing is ten laste gelegd dat hij, bewust van de onrechtmatige herkomst en met het doel het beest aan den eigenaar te onttrekken, op Zondag den 20en October 1895 in zijn bezit heeft gehad eene bruine merrie ter waarde van f 10.— , welke in den nacht vóór Zaterdag 19 October te voren tusschen 12 en 4 uur aan den inlander Ronosemito arglistig was weggenomen uit diens stal, staande met het door dien inlander bewoonde huis op hetzelfde aan alle zijden afgesloten erf in het gehucht Katir, dessa Ketro, district Tegalombo, afdeeling Patjitan;

O. dat de Landraad bij zijn vonnis heeft overwogen, dat blijkens het gehouden onderzoek de bedoelde stal in den zin der wet niet is eene aanhoorigheid van een bewoond huis en dat, nu de beklaagde nimmer te voren is veroordeeld geweest en de waarde van het ontvreemde niet meer dan f 25.— bedraagt, het feit, waarover het onderzoek liep, slechts eene overtreding daarstelt, behoorende tot de competentie van den politie-rechter;

O. dat deze-beslissing is onjuist;

dat — daargelaten de vraag of de stal, welke op het behoorlijk omheinde, van eenen ingang voorziene woonerf van den bestolene stond, al dan niet als een aanhoorigheid van het bewoonde huis moet worden aangemerkt — de eerste rechter zich niet onbevoegd had mogen verklaren om van de zaak kennis te nemen, maar krachtens het bepaalde bjj artikel 305 alinea 1 van het Inlandsch-Reglement verplicht was de op het feit gestelde straf op te leggen, zelfs nu, naar het oordeel van den Landraad, bedoeld feit slechts eene overtreding daarstelt;

dat toch eene vergelijking van de aangehaalde wettelijke bepaling met artikel 384 van het Inlandsch-Reglement, bij hetwelk aan de Rechtbank van Omgang de verplichting is opgelegd om, wanneer bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat het feit tot de bevoegdheid van den Landraad behoort, daarin nogthans uitspraak te doen, noodzakelijk tot de gevolg-