is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HOOG-MILITAIR-GERECHTSHOF,

Gezien het vonnis van eenen daartoe benoemden Krijgsraad te Magelang tegen den in hoofde dezer genoemden beklaagde gewezen en uitgesproken op den 18den Juli 1896, waarbij hij is schuldig verklaard aan: „diefstal als overtreding drie malen gepleegd", en „diefstal in de chambrée twee malen gepleegd", deswege veroordeeld tot de straf van één jaar militaire gevangenis en verwezen in de kosten en misen der Justitie en in die van den processe;

Gelezen den namens den appellant op den 6den Augustus 1896 gedienden eisch in appèl, waarbij wordt gerefereerd aan 's Hofs prudentie;

Nog gelezen de door den geappelleerde R. O. op den 12den Augustus 1896 gediende schriftuur van antwoord in appèl, waarbjj wordt geconcludeerd dat het Ilof, met tenietdoening van het appèl, het vonnis voor zooverre daarvan is geappelleerd zal bekrachtigen en den appellant ook zal verwijzen in de kosten der appellatoire instantie;

Gezien de verdere stukken van den processe, zoo ter eerste instantie als in appèl gediend;

O. dat de beklaagde, thans appellant, te bekwamer tijd van het tegen hem gewezen vonnis is gekomen in liooger beroep;

O. dat de boven omschrevene conclusie van den geappelleerde R. O. hierop is gegrond: dat beklaagde in het gerechtelijk onderzoek de bekentenis zoude hebben afgelegd, dat het hem bij de klacht in de 2e, 3e en 4e plaats ten laste gelegde volkomen juist is en hij zich daaraan heeft schuldig gemaakt, weshalve beklaagde in appèl alléén toelaatbaar zoude wezen, voor zoover hij bij het vonnis van den Krijgsraad ook aan de feiten sub le en 5e is schuldig verklaard;

O. alsnu te dien aanzien, dat (aangenomen zelfs het geval eener volledige confessie op sommige punten van de klacht) in artikel 222 sub le (*) van de Rechtspleging bij de Landmacht

(') Zie de explicatie van dit art. in Stbl. 1820 No. 12.