is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 1823 werd over nadere regeling van liet onderwerp niet meer gesproken en zelfs geen notitie genomen van het voorstel cener afdeeling om aan liet artikel (kinderen in eenig gesticht van weldadigheid, hoe ook genaamd, opgenomen, staan onder voogdij der regenten van het gesticht) eene slot alinea te voegen luidende: „op de wijze, zooals hieromtrent afzonderlijk bepaald zal worden" terwijl de Regeering in Haar antwoord alleen zeide „aan deze afdeeling weinig waarde te hechten en ze alleen in den titel te hebben geplaatst 0111 aan den wensch van de Kamer toe te geven. Het beginsel achtte Zij doelmatig en Ze was er zeker van, dat deswege nadere bepalingen zouden worden gemaakt".

't Is dus hier weder eens „ii n'y a que le provisoire qui dure", maar ondertusschen kan de rechter — nu eenmaal die nadere bepalingen nog niet gekomen zijn — moeilijk anders doen dan het onderwerp in de wet zelve geregeld achten, en moet hij, bij de uitlegging, trachten liet in art. 365 neergelegde principe met de algemeenc bepalingen over voogdij, zoo veel mogelijk althans, te doen rijmen.

Immers moet worden vooropgesteld, dat art. 365 niet voorkomt in het lilde Boek van ons B. W., waar het dan onderdo verbintenissen uit de wet of uit overeenkomst zoude t' huis behooren, wanneer daarbij aan negotiorum gestio of mandaat moest worden gedacht,, maar dat het geplaatst is in liet Iste Boek, XVde titel, van minderjarigheid en voogdij, dat het tot opschrift voert „van de voogdij over kinderen in eenig gesticht opgenomen", en zegt, dat die kinderen zoolang ze zich in 't gesticht bevinden of daartoe behooren onder voogdij zijn der regenten van hetzelve, terwijl eindelijk art. 366 B. W. bepaalt, dat in elke voogdij in N.-I., met uitzondering van die, waarover in art. 365 ivordt gehandeld, de Weeskamer met de toeziende voogdjj belast is.

En nu is het hoofdbeginsel, dat er in iedere voogdij slechts één voogd is (art. 331 B. W.).

Dit beginsel — ik lees het in de conclusie van den Adv.-Gen.