is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezig, dc rechtsgeleerde land raadsvoorzitters zijn, elk voor zijn rechtsgebied, met de functiën van den omgaanden rechter belast (Ind. Stbl. 1879 No. 106). Het springt in het oog, dat deze laatste regeling slechts een voorloopige is, die voor een definitieve, waarbij de omgaande Rechtbanken in de landraden opgelost worden, behoort plaats te maken.

Ontbreekt zeer veel aan een volledige uitvoering van het meergemelde Kon. besl. van 1873, van meer belang nog is het de aandacht te vestigen op de noodzakelijkheid om de verbroken verhoudingen in de indische rechterlijke macht te herstellen. Wie hervormt, doch halverwege blijft staan, zal tot zijn schade gewaar worden, dat zijn hervorming in menig opzicht een averechtsche uitwerking heeft. Ofschoon het Koninklijk besluit van 1869 tot de aanstelling van omstreeks 70 rechterlijke ambtenaren heeft aanleiding gegeven, is in de van oudsher bestaande organisatiën niet de minste verandering gekomen. Vandaar komt het, dat de maatregel van 1869 op de samenstelling van de Raden van Justitie en van het Hooggerechtshof een ongunstigen invloed is gaan uitoefenen. Terwijl de Raden van Justitie in appèl oordeelen over de in civiele en overtredingszaken door de landraden gewezen vonnissen (op de Buitenbezittingen oordeelen zij zelfs in revisie over misdrijfzaken), en dus hiërarchisch hooger staan dan laatstgenoemde, is de bezoldiging der raadsleden deels gelijk aan die der landraadsvoorzitters, deels minder dan die door de landraadsvoorzitters op de hoofdplaatsen der residentiën genoten. Men bedenke daarbij, dat het leven op de hoofdplaatsen, waar Raden van Justitie gevestigd z(jn, belangrijk duurder is dan op de standplaatsen der meeste landraadsvoorzitters, en dat de positie dezer laatsten meer zelfstandig is en, naar indische toestanden beoordeeld, maatschappelijk inderdaad hooger staat. Waarschijnlijk moet het aan een en ander worden toegeschreven, dat het tot dusver niet mogelijk is geweest een eenigszins vast, blijvend, geroutineerd personeel bü de Raden van Justitie te vormen. Gezwegen nog hiervan, dat menigmaal de Raden van Justitie asyls waren voor onbruik-