is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HOOG-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIË,

Gezien de stukken van het gerechtelijk onderzoek van den beklaagde Saiman en het in die zaak op den veertienden Augustus 1800 zes en negentig door den Landraad te Madioen gewezen vonnis, waarbij de beklaagde is schuldig verklaard aan: het uit onvoorzichtigheid en onoplettendheid veroorzaken van iemands dood en deswege veroordeeld tot de straf van dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van één jaar en zes maanden en tot de betaling van een geldboete groot f 100.— (een honderd gulden) met verdere veroordeeling van den beklaagde in de kosten van het rechtsgeding en met bepaling van den tijd, welke beklaagde by niet voldoening der geldboete bij wijze van lijfsdwang zal knnnen ondergaan, op vijftien dagen dwangarbeid buiten den ketting;

Gezien de schriftelijke conclusie namens den Procureur-Generaal door den Advocaat-Generaal Mr. P. Lugt genomen en gedagteekend den aclisten September 1800 zes en negentig No. 1152, daartoe strekkende, dat het Hoog-Gerechtshof, met verbetering van het tegen den beklaagde gewezen vonnis, hem zal veroordeelen tot de straf van dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van zes achtereenvolgende maanden en eene geldboete van f 25.— (vyf en twintig gulden), met bepaling dat hij bij wanbetaling der boete als lijfsdwang zal kunnen ondergaan drie dagen dwangarbeid buiten den ketting en overigens het vonnis zal bekrachtigen;

Gehoord het rapport van den Raadsheer Mr. C. Rasch;

O. dat de beklaagde op de wijze door de wet voorgeschreven en binnen den termijn bij deze gesteld verklaard heeft van het vonnis revisie te verlangen;

O. dat ingevolge het imperatief voorschrift van artikel 30 van het Reglement op de Rechterlijke Organisatie de vonnissen in strafzaken moeten inhouden de gronden waarop zij berusten, terwijl geheel in overeenstemming hiermede en als uitvloeisel dier wetsbepaling artikel 312, 2e. van het Inlandsch Reglement