is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. ter zake: dat volgens artikel 115 van het Strafwetboek voor Inlanders valschlieid in getuigschriften, waaronder ook begrepen worden geleidebilletten als het onder wer pel\jke, waaruit benadeeling van wien ook kan voortvloeien, strafbaar is;

dat voormelde wetsbepaling niet spreekt van vervaardiging van de daarbij bedoelde geschriften, maar in het algemeen van valschheid;

dat nu blijkens de voorschriften in de §§ III, IV en V van afdeeling I, Hoofdstuk III, Titel I, Boek II van voormeld Strafwetboek, in verband tot de verschillende in die §§ voorkomende artikelen, „valschheid in geschriften" gepleegd wordt zoowel door vervaardiging van het valsche geschrift, als door het desbewust gebruik maken daarvan;

dat derhalve noch de letter der wet, noch hare economie aanleiding geven om het woord „valschheid" voorkomende in artikel 115 voormeld in de beperkte beteekenis van het „vervaardigen" van een valsch geschrift op te vatten;

dat de juistheid hiervan nog meer in het oog springt, wanneer men let op de slotbepaling van boven vermelde afdeeling n. 1. artikel 116, luidende: „In alle gevallen, waarin tegen het misdrijf van valschheid straf is bedreigd .... wordt tevens uitgesproken eene geldboete van ten hoogste één vierde van het onwettige voordeel, genoten door de daders der valschheid, hunne medeplichtigen of door hen die desbewust gebruik hebben gemaakt van het valsche stuk;

O. dat de Landraad echter de gepleegde feiten niet geheel naar behooren heeft omschreven, vermits den Ilove geen termen zijn voorgekomen om ten behoeve van beklaagde verzachtende omstandigheden toe te passen;

O. dat dientengevolge de opgelegde straf niet meer is overeenkomstig de wet, terwijl verder rekening dient te worden gehouden met de door beklaagde ondergane preventieve hechtenis;

O. dat mitsdien het vonnis van den Landraad wijziging behoeft ten aanzien der qualificatie en straf, doch overigens als wel en te recht gewezen behoort te worden bekrachtigd;