is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1896, 01-01-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

middelen had, die tot eene onnauwkeurige opsomming daarvan heeft geleid, waarover later.

De taak des rechters is de waarheid der hem ter onderzoeking voorgelegde feiten op te sporen, en wel alleen van die feiten, welke met de zaak te maken hebben, „the relevant facts". (*) Wel maakt men daarbij onderscheid tusschen het burgerlijk- en het strafrecht, en spreekt van formeele en materieele waarheid, maar de afscheiding is niet streng door te voeren en alleen een gevolg van de omstandigheid, dat in het burgerlijk recht het onderzoek wordt afgebakend door de rechten, welke de partijen willen doen gelden — het fransche adagium: „Les parties sont les maitres du procés —, terwijl het strafrecht van een bizonderen wil van partijen niets wil weten. Is echter aan den rechter opgedragen naar de waarheid van eenige feiten, waarover de partijen het oneens zijn, of waarvan de beklaagde wordt beticht, onderzoek te doen, dan is de weg, dien hij bewandelen moet, in beide gevallen dezelfde. „Die wahre Gerechtigkeit kennt keine andere Walirheit als die reale Wahrheit und keine andere Wahrheitserforschung als die der freien Logik". ( 2 ) Er

(*) Verg. o. a. Wills, The theory and practice of the law of evidence p. 2, 39 vlg. Frustra probatnr quod probatnm nonrelevat.

( 2 ) Endemann, Beweislehre. Verg. Strübel, Criminalverf. § 673 vlg., Leue, der miindliche Offentl. Anklageprocess. p. 19, 133. Best, Grnndzüge der Eng. Beweisl. p. 10 vlg. Met betrekking tot de jury verg. men Köatlin, Wendepunkt d. Deutschen Strafverf. p. 113 en 115 (noot), waar hij zegt: Der andere Irrthum ist dann, dass die Anwendnng dieser Regeln (bewijsregelen) eine besonders erlernte Kunst erfordere,— Was dort von der Erheblichkeit der Thatsachen gesagt wird, kann man gelten lassen. Darüber können die rechtsgelehrten Richter die Geschworenen belehren. Aber das, was das Erheblichste ist, — der Total-eindruck aus der Gesammtanschanung auf das Gewissen, wird nicht in juristischen Biichern erlernt, nnd ist nicht Sache der juristischen Mitglieder des Gerichts, deren Funktion eine wesentlich verschiedene Geistesthatigkeit erfordert. Damit ist nicht gesagt, dass Juristen jener Geistesthatigkeit unfiihig, sondern nur dass sie es nicht allein seien". Mr. J. D. Meyer, Esprit etc. des institutions judiciaires, IV p. 376: „Pour nedécider