Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laagste klasse, in de tweede het gansche verharde volk legen over vreemde volkeren gesteld. In de tweede gaat de weigering met hoon en smaad gepaard, terwijl in de eerste nog verontschuldigingen worden bijgebragt. De eerste doelt slechts op het Godsrijk in het algemeen, de tweede op den persoonleken Messias.

De tweede heeft echter eene nieuwe belangrijke bijzonderheid, het onderscheid namelijk tusschen de echte en onechte medeleden van de uit alle volkeren te roepene Godsgemeenle. De uiterlijke belijdenis baat niets zonder de ware Christelijke gezindheid; — velen zijn geroepenen, weinigen uitverkorenen, — zij die gelijk zijn aan den gast zonder bruiloftskleed, die naar het uiterlijke de roeping wel volgen, maar geene pogingen aanwenden, om zich die gezindheid eigen te maken, welke voor het Godsrijk past.

De werkzaamheid in het Godsrijk wordt voorgesteld onder het bekende beeld van cenen wijngaard , nogtans met onderscheidene wijzigingen. Matth. XXI: 33 heeft hetzelfde doel als de parabel van het gastmaal, de verwerping van het Joodsche volk en de roeping der Heidenen. Hiertoe behooren de parabelen , in welke het arbeiden voor het Godsrijk met de toevertrouwde gaven, voorgesteld wordt als het verrenten van een toevertrouwd kapitaal. De vergelijking van Matth. XXV: 15 met Luk. XIX: 12 levert weder een voorbeeld, hoe eene eenvoudige parabel naderhand door Christus is uitgebreid. Te onregle beweert strauss dan ook, dat het beeld van het geld, waarmede gewoekerd moest worden, bij het eerste deel der laatste parabel niet past; dat veeleer, wanneer de parabel uit één stuk bestond, het beeld van eene iiitdeeling van wapenen, ter bestrijding der op-

Sluiten