Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opvatting zich grammaticaal regtvaardigen liet, zoo strookt vooreerst het plegtige voorwaar, waaronder jezüs die betuiging doet, daarmede niet, en ook niet het berigt van lukas, dat jezus niet tot zijne Discipelen, maar deze tot Hem zijn teruggekomen (12). Dat de betuiging onzes Heilands eindelijk op zijne laatste komst bij den afloop der eeuwen niet toepasselijk zijn kan, zoo als sommigen uit het onmiddelijk voorafgaande, ten einde toe, meenen te kunnen opmaken , dit waarborgt ons niet alleen de ondubbelzinnige opgave yan het, hoezeer betrekkelijke, nogtans korte tijdsbestek, binnen hetwelk het hier voorspelde komen verwezenlijkt worden zou (13); maar daarenboven zou de stellige bepaling van den tijd strijdig zijn met hetgeen jezus (14) getuigt, dat Hij den dag en ure daarvan evenmin als de Engelen wist. — Het geheele redebeleid onzes Heilands komt ons veeleer voor, de boven door ons opgegevene beteekenis te eischen. Het onderwerp namelijk, waarbij dit Hoofdstuk ons bepaalt, is de uitzending der Discipelen door jezus. Bij den last, dien Hij hun geeft, om het Evangelie des Koningrijks niet aan Heidenen of Samaritanen, maar allereerst en voornamelijk aan de verlorene schapen van het huis Israëls te prediken (15), deelt Hij hun verschillende wenken, ten opzigte van hun gedrag zoowel als van hunne ontmoetingen mede. Voorspellend openbaart Hij hun (16), dat zij om zijnentwil aan den haat der wereld en aan velerlei vervolgingen en mishandelingen

(12) Luk. IX, 10. (14) Mark. XIII: 32. (16) TS. 16—22.

(13) Verg. Mattli. XXV: 5, 10. (15) vs. 5—7.

Sluiten