Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgende: de mensch is zedelijk diep bedorven; de zonde is de bron van al zijne ellende; en, uit die ellende kan alleen Gods vrije genade hem verlossen. En deze denkbeelden, die eigenlijk gevoelsuitspraken waren, schijnen ons toe van augustinus invvendigen toestand en bevinding te zijn uitgegaan; terwijl wy in de wijze, op welke hij deze gevoelsuitspraken tot bepaalde begrippen heeft trachten te brengen, dezelve zich verstandelijk heeft trachten te ontwikkelen en te bewijzen, zijne eigenaardige wijsgeeiige en wetenschappelijke vorming herkennen. De man, die eens de slaaf zijner zinnelijke lusten geweest was, die zoo duchtig de heerschappij der zonde ondervonden had, van welke hij nog gedurig de treurige overblijfsels en smartelijke naweeën gewaar werd; wien het zoo veel moeite had gekost, zich aan de wereldsche begeerlijkheden te ontrukken, en die eindelijk op eens, als door een wonder Gods, een ander mensch geworden was, die man moest, bij zijn hevig, vurig, tot overdrijving en uitersten leidend karakter, er wel toe komen, om een diep, algeheel bederf der menschelijke natuur aan te nemen, en in wrevel legen de zonde, die hem zoo fel geplaagd had, haar de schuld te geven van al de ellende, die het rampzalig menschdom moest torschen; die man moest, daar er tevens een diep godsdienstig gevoel in hem lag, wel de overtuiging koesteren: »van God, van God alleen komt alle redding en heil; zijne hulp is vrije genade; Hem alleen komt de eere toe; die roemt, roeme in den Heer!"

Men heeft in de leer van augustinus omtrent de erfzonde steeds eene groote overeenkomst met de stellingen der Manicheërs, tot wier secte augustinus vroeger behoord had, opgemerkt, en dezelve aan den

Sluiten