Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jood, hetzij Griek (80); daar hij spreekt van Heidenen, die van nature doen, heigeen de wet gebiedt , en daarvoor de vrijspraak des gewetens erlangen (81); van onbesnedenen, die de regten der wet bewaren (82); daar hij elders zich zeiven onberispelijk naar de regtvaardigheid in de wet noemt (83), zoo voert ons dit tot het besluit, dat hij bij de eerstgenoemde verklaringen' niet alle enkele menschen, maar het menschdom in hel algemeen, heeft op het oog gehad; dat hij in eenen geschiedkundigen zin van eene algemeene verdorvenheid en eene algemeen verspreide ellende gesproken heeft, in zoover, in zijnen tijd vooral, alle volkeren , als volkeren, diep bedorven waren, in zoover de algemeene geest een van God en deugd vervreemde was, en verreweg het grootste gedeelte aan de ergste zedeloosheid was overgegeven; en dat hij van de zoo diepe verdorvenheid wel enkelen heeft uitgeslolen, die, hoewel dan zondaren en steeds verre verwijderd lijnde van de hoogere deugd en heiligheid des geloovigen Chrislens, echter iets hadden van het bedenken, van den zin, des geestes; die, ofschoon dan in veel zwakheid en onder veel strijd, echter door volharding in goede werken eer en heerlijkheid en onverderfelijkheid zoch-

(80) Rom. II: 7, 10.

(81) Rom. II: 14, 15.

(82) Rom. II: 26. Hetgeen riraus hier leert , strijdt niet met hetgeen hij elders verklaart, dat uit de werken der wet geen Weesch geregtvaardigd wordt; want hier sluit paulus het ïedelijk beginsel, zij het dan ook niet het Christelijke, mede in. De uitdrukking yuff vnouovqv %ou iyaïoS, door volharding in goede werken, wijst reeds daar heen.

(83) Philipp. iii: 6.

Sluiten