Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is, gelijk men uit de dagleekening kan opmaken, eene gedachtenisrede bij gelegenheid, dat Nederland 25 jaren vroeger, in 1813, van de Fransehe overheersching was verlost. Maar hoe gedenkt de Redenaar daaraan? Het is merkwaardig dit na te gaan, daar men weet, dat hij de spreker is van eene zekere partij, die zich voor reglzinnig boven allen wil doen doorgaan. Op den 18 November liet, volgens 1)1. 6, sécretan zich aldus uit: » Het is over de eer van God, dat wij spreken. En nu een vierde eener eeuw ten einde loopt, sedert eene bevrijding, die uitnemend is onder allen, welke de geschiedenis der volken heeft opgeleekend in hare jaarboeken, zal nu niet ééne stem de tolk zijn van hetgeen in w aller harten en in u aller monden is? Zal niet ééne slem zich verheffen, om eene getuigenis te zijn voor de nakomelingschap, dat op den 18 Nov. 1838 het volk van deze gewesten zynes Gods is gedachtig geweest?" "Wij vragen, hoe kon de Heer sécretan, op den 18 Nov. predikende, vooronderstellen, dat niet ééne stem der Predikanten de tolk zou zijn, van 't geen de Christelijke Nederlanders gevoelden? Was hij dan in staat te hooren, wat in de andere kerken van den Haag, wat in andere sleden en dorpen werd gepredikt? Was hij dit niet, waarom dan vooraf de Predikanten veroordeeld en de Gemeenteleden gevleid? Of is dit veroordeelen der eenen en vleien der anderen een kunstgreep, die tot de taktiek zijner partij behoort, doch die hier wat ongelukkig is aangebragt? Maar wij gaan verder. Sécretan vervolgt: »Wij hadden gehoopt, dat de stem van hen, aan wie de hoogste belangen der Kerk zijn toevertrouwd, zich zou doen hooren; maar een stilzwijgen heeft gehcerscht, alsof onze gewesten eene woestijn waren. — Wij

Sluiten