Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PRACTISCHE PUNTEN INZAKE BEROEPSKEUZE EN DE SCHOOL

Bij het neerschrijven van dit opschrift gaan onwil ekeurtg m'n gedachten terug naar den R. K. Vacantieleergang in beroepskeuzevoorlichting te Utrecht in Augustus 1.1. gehouden. Wat daarvan ook vervlogen is, het essentieele bleef achter: de rechte man op de rechte plaats; men moet geen beroep hebben, maar z'n beroep zijn. Velen zullen zeker na die beide dagen gepeinsd hebben over dit vraagstuk, dat in betrekkelijk korten tijd zooveel belangstelling weet te trekken en wel verdient in ruimer kring besproken te worden. Waar de Redactie zegt, dat haar tijdschrift aan geen enkele school mag ontbreken, heeft zij zonder twijfel veel meer op het oog, dan louter 't aanwinnen van abonnementen. Hoewel de Vacantieleergang en als 'n zeer voornaam deel daarvan moeten beschouwd worden de lessen van prof. van Ginneken en prof. Roels, stond in het teeken van de momentopname, de silhouet, de zielevlek, kwam er toch al was 't schaars 'n stem uit de vergadering, die vroeg de school niet te versmaden, den man niet voorbij te gaan, die jaren, dag aan dag, in zoo nauw contact staat met de kinderen. Waarom wordt van zijn ondervinding zoo weinig partij getrokken, niet als raadsman bij de keuze van het beroep, maar bij 't teekenen der zielevlek of liever niet bij het teekenen daarvan, want dat gaat te veel met lijnen en streken, neen, zoo'n zielevlek moet langzaam opdoemen uit 't vage, nevelige, totdat er 'n kern zichtbaar wordt, totdat 't persoonlijke begint te spreken. Dan is er houvast, dan is 't opletten of die kern zich verplaatst, in omvang toeneemt, overgaat in 'n andere opkomende vlek, afneemt of wat dan ook. Zulk beeld ontstaat niet plotseling als uitkomst van eenige proefnemingen, dient vloeiend te blijven om na te kunnen gaan in welke richting de verduistering verloopt en .... daar wou ik naar toe .... om de mogelijkheid te onderzoeken of dat

wordend beeld in z'n vorming belangrijk te beïnvloeden is. Even heeft prof. v. Ginneken dat aangeraakt, toen hij zei, dat 'n zielevlek, bij alle geschiktheid voor zeker beroep, ook het tekort aangaf en 't vaak de moeite zou loonen, dat geregistreerde tekort alsnog te verhelpen, althans pogingen daartoe aan te wenden. Zal 't dan dikwijls niet te laat zijn? Een voorbeeld: uit 'n rapport inzake ambachtsonderwijs aan doofstommen bleek, dat bij de oud-leerlingen, die voor kleermaker waren opgeleid, in 25 °/0 der gevallen beroepsverandering voorkwam door gezichtszwakte (waarschijnlijk verzwakking, daar 't niet voor de hand ligt, dat men jongens met slecht gezicht kleermaker laat worden). Wanneer nu, voordat de keuze op het beroep van kleermaker viel, als steekproef de momentopname gemaakt was, dan zou laten we veronderstellen geconstateerd kunnen zijn, dat de gezichtssterkte ('n zeer voorname factor) even voldoende was, maar geen zekerheid werd verkregen voor wat betreft het verloop dier sterkte en allerlei oorzaken, die daarop invloed hadden uitgeoefend. Had men negatieve invloeden niet bijtijds kunnen neutraliseeren, positieve factoren niet eerder in werking kunnen stellen 1 Het gold hier toch 'n zintuig, dat bij de meeste beroepen 'n voorname rol speelt. Moeilijker wordt het wanneer b.v. geconstateerd is, dat 'n 14 a 15-jarig kind, bij het bezit van overigens veel goede hoedanigheden, het tekort aan nauwkeurigheid zwaar moet aangerekend worden. Al mag men eischen, dat opvoeding en onderwijs met het gebrek slordigheid terdege heeft rekening te houden, als dat nu niet gebeurd is, zit men toch op het oogenblik der constateering, der keuze, wel eenigszins verlegen om zoo'n ingeleefde fout te verwijderen. Dat is niet 'n heel eenvoudige zaak, die zooals de ervaring leert, maar zelden tot goede oplossing geraakt. Zoo kom ik op t terrein

Sluiten